Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2008  Elodie Berendsen

Dutch treat - Elodie Berendsen

Een oorverdovend applaus klinkt door het vliegtuig als de piloot de kist zonder enige hapering aan de grond zet. De ovatie houdt aan totdat het toestel netjes geparkeerd staat en de lange armen van een terminal het vastgrijpen in een stevige omhelzing. 'Welkom in Nederland.'
Tien uur eerder is de vliegende sigaar uit Curašao vertrokken met vierhonderd mensen aan boord, een klein leger dat gedisciplineerd en saamhorig 9.000 kilometer af moet leggen. Na de landing versplintert het gezamenlijk doel en worden de passagiers weer individuen met elk zo hun eigen reden om het land van aankomst te bezoeken. EÚn van hen ben ik.
 
'Emigrant, maar zeker geen spijtoptant,' zei ik tegen een medepassagier. 
'Even op familiebezoek,' geef ik als verklaring voor mijn aanwezigheid in het vliegtuig. Maar nu ik er ben, lijkt het toch iets meer dan dat. Een lichte opwinding borrelt in me op. Ik heb ineens haast om de lucht op te snuiven, om mijn voeten op de Hollandse bodem te poten, om op te gaan in de georganiseerde drukte van dit land. Hier kan ik een 'Hemaworst' bestellen zonder daar uitleg over te hoeven geven en ineens lijkt dat heel belangrijk. Ik ben verrast door deze plotselinge vlaag van vaderlandsliefde maar besluit dat ik geen tijd heb om mijn emigratie aan een evaluatie te onderwerpen; ik moet mijn spullen pakken en in de rij gaan staan.
De deur wordt ontgrendeld en een frisse tocht dringt het vliegtuig binnen, als een pepermuntje na een pittig maal. Ik ril, doe mijn jack aan, dat naar de mottenballen stinkt. Ik grijp mijn handbagage bij elkaar en stap uit de halve vierkante meter waartoe ik de afgelopen uren veroordeeld ben geweest. Ruimte, een beetje meer ruimte om te kunnen bewegen. Op Curašao is er nog ruimte. Daar zwem ik 's morgens vroeg helemaal alleen baantjes in zee, vlak voordat ik naar mijn werk ga, met enkel felgekleurde vogels als getuigen. Zo dichtgepakt op andere mensen te staan, ben ik verleerd. Ik heb het gevoel dat ik op excursie ben. Ik kan het merknaampje zien van de trui die de vrouw voor me draagt, de roos op haar schouders ook. Het voelt een vreemd soort vertrouwd. Anders, maar toch bekend.
Voetje voor voetje schuifelt een ketting passagiers naar de uitgang. Langzaam, heel langzaam, schuift de rij iets op. Er worden steeds maar een paar mensen de holle arm van de terminal ingelaten. Ik krijg het warm, zo samengeperst met de anderen in de smalle gang langs de stoelen en kijk door een dikke vliegtuigruit naar buiten om alvast een glimp van Nederland op te vangen. Het regent. In een grijs decor rijden speelgoedautootjes af en aan. Vrachtwagentjes, pick-upjes en trekkertjes met een slang van aanhangers achter zich aan. Allemaal met heen en weer wuivende ruitenwissers. Ik vind het niet erg, dat is Nederland. Ik heb gisteren nog aan het strand gelegen en volop vitamine D opgesnoven. Ook om lekker bruin te worden natuurlijk. Het verkoopt niet als je in de tropen woont en met een bleek airco-smoel rondloopt omdat je je de pestpokke hebt gewerkt. Dat snapt geen hond. Bovendien is het maar voor even, ik ga snel genoeg weer terug naar de zon. Binnen is het in elk geval warm. Benauwd warm. Het jack gaat weer uit, ik knoop het om mijn middel.
Het was toch heel aardig van oma om me een ticket te sturen. Oma wordt vandaag 85 en wilde het feest niet vieren zonder mij, haar enige overzeese kleindochter. De hele familie is opgetrommeld, en ik zal hen voor het eerst sinds mijn vertrek terugzien. Toch wel leuk, ook al heb ik van velen van hen al heel lang niets meer gehoord. Dat is me een beetje tegengevallen, ik had iets meer belangstelling verwacht. Elke twee maanden mail ik een uitgebreid verslag, maar krijg weinig reactie. Voor de meesten is Curašao te ver weg, denk ik dan.
De rij komt weer in beweging, ik kan doorlopen tot aan de pantry. Daarachter, net om de hoek zie ik de deuropening, maar die lijkt vooralsnog onbereikbaar; er staat nog zeker dertig man voor mij. Er zijn toch wel een paar dingen die ik gemist heb. De markt op zaterdag, een boswandeling, patatje oorlog, yoghurt, Mona toetjes. Ik lik over mijn lippen terwijl ik de herinnering aan de romige zuivelkampioen oproep. Zuivel is niet de sterkste kant van Curašao. Het invliegen ervan is duur en de lokale yoghurtproducent komt niet in de buurt van romig. Curašaose yoghurt is eerder vlokkerig en smaakt zuur.

Bij de deur word ik aangerand door een hond. Hij loopt recht op mij af en drukt opdringerig zijn neus in mijn kruis. Ik maak verschrikt een sprongetje, probeer achteruit te deinzen maar stuit op de rij mensen achter mij. Aan de hond zit een man vast die naar mij loert. Als blijkt dat de hond zijn belangstelling voor mij verloren heeft, geeft de man zijn collega's een seintje en laat mij door. Twee bewakers met neutraal correcte gezichten vangen mij op. Ik moet mijn armen en benen spreiden. Een elektronische staaf glijdt langs mijn lijf.
'Bent u ongesteld, mevrouw?'
Ik voel dat ik knik en daarop lopen de mannen door naar het volgende slachtoffer dat door de hond is uitverkoren. Verbijsterd kijk ik ze na. Op het werk spreken we van 'bezoek.' Mijn collega's, de vrouwelijke dan, zien het aan me. 'Ach, dushi, heb je bezoek? Geeft niet, doe rustig aan vandaag. We weten allemaal hoe het is.' Ik krijg dan een knipoog die druipt van het medeleven en ik voel me begrepen in dit diep ingrijpende onderdeel van mijn vrouw-zijn. Daartegenover klinkt 'Bent u ongesteld' ineens vreselijk boers en banaal.
Een klein duwtje in mijn rug herinnert mij eraan dat ik door moet lopen. Ik ben in de slurf, de navelstreng die naar de moederschoot leidt. De pepermunttocht is hier duidelijk voelbaar. Ik krijg het koud en trek mijn jack maar weer aan. Het staat hier stampvol vermoeide mensen. Links en rechts van ons staan stevige mannen met 'security' op hun uniformen. Ze kijken nors. Wij sloffen langzaam verder onder streng toezicht van dit gedwongen welkomstcomitÚ.
Ik zucht. Verscherpte controles op alle reizigers uit Curašao vanwege die paar ongelukkigen die zich volproppen met cokebolletjes in een wanhopige poging wat bij te verdienen. Maar wat wil je als de uitkering van een alleenstaande moeder nog geen 200 euro per maand bedraagt. Dochters en zonen schieten te hulp en nemen het risico. Om een communiefeestje te kunnen betalen, de water- en elektra rekening in te lossen of domweg voor een paar nieuwe merkschoenen. Zo is het de zoon van mijn werkster vergaan. Voor een paar Nikes die zijn moeder zich niet kon veroorloven. Als hij het gewoon had gevraagd aan me ..., maar daar was hij te trots voor.
Zoals hij zijn het er gemiddeld zo'n vier per vlucht die het proberen. En ze zijn zo gemakkelijk op te sporen: ze eten niet, drinken niet, verspreiden een zeer onaangename geur en hebben de hele reis buikpijn vanwege de aandrang om te poepen. Iedereen kan ze zo aanwijzen, zeker na een gezamenlijke vlucht van bijna 10 uur.

Als een futloze kudde lopen we achter elkaar aan en vijf minuten later zet ik voet in aankomstterminal 59 van luchthaven Schiphol. Ik ben in Nederland maar nog niet geoorloofd me vrij te bewegen. Een uitgebreide fouillering, een metaaldetector en een r÷ntgenapparaat zijn de volgende stappen in de procedure die eerst nog worden vooraf gegaan door een paspoortcontrole en een quasi vriendelijk gesprekje naar de reden van het bezoek. De oude Curašaose dame, waar ik achtersta, wordt aan de tand gevoeld door een kaaskop met rood haar die qua leeftijd haar kleinkind zou kunnen zijn.

'Hoe lang blijf je, mevrouw? Wat kom je doen hier? Hoe kom je aan het geld voor deze reis? Mag ik even in je tas kijken?'

Dat 'mevrouw' heeft hij dan nog net goed maar verder... Wat een onbeschofte zak. Wat zijn dat voor manieren? De oude dame wordt doorverwezen naar het fouilleerteam. Vreemde handen betasten haar. De schaamte op het oude gezicht, kleurt mijn wangen purper. Ik verbijt me, kijk de andere kant op maar krijg geen tijd om er lang bij stil te staan, het is mijn beurt en ik overhandig mijn paspoort aan wat door moet gaan voor Hollands glorie.
'Is dat nou echt nodig, zo?' vraag ik.
'Tja, meisje, je moest eens weten waar ze die troep allemaal verstoppen.'
De kaaskop neemt mijn paspoort aan en slaat het open.
'Zo, weer lekker thuis?' grijnst hij naar me.
'Nee, ik woon daar. Ik hoor bij 'ze,'' bits ik terug.
Tot mijn voldoening verandert zijn grijns in een strakke streep. Ik laat hem ver achter me en loop door naar het volgende checkpoint maar zie nog net dat hij de volgende, een blanke dame op leeftijd, zo door laat lopen.

'Klootzak,' sis ik zachtjes.

Het r÷ntgenapparaat vreet mijn handbagage op en spuugt het ongedeerd weer uit. De mannen en vrouwen van de douane hebben geen coulance met onze vermoeidheid, ze doen hun werk met uitgestreken routine-gezichten. Geen groet kan eraf. Ik heb het idee dat ze ons liever niet dan wel zien en grijp ge´rriteerd mijn spullen van de rollenbak. Een kleerkast van een vrouw wijst naar de metaaldetector waar ik nog doorheen moet. 'Hebben ze op Curašao ook al gedaan,' zeg ik, maar de vrouw reageert niet. Het ding gaat niet af en ik mag verder. Voor voorlopig ben ik goedgekeurd.
Na deze controle valt de rij uit elkaar. Er volgt een lange wandeling al dan niet onderbroken door een lopende band en ik proef de vrije lucht, die in de overdekte luchthaven gevangen zit. Aan de muren hangen aankondigingen van muziekconcerten en museumtentoonstellingen. Leuk, dat moet ik doen als ik tijd heb. In die drie musea op het eiland ben ik al wel uitgekeken. Voor een echt groot concert is het eiland te klein en oh, ik zie dat Cirque du Soleil in het land is. Daar moet ik beslist naar toe. Misschien krijg ik oma wel mee.
Voor mij lopen twee zakenmensen. Een blanke man in een gitzwart pak spreekt uitbundig met een zwarte man die volledig in het wit gekleed gaat. Duo penotti, twee kleuren in .... Ik moet erom lachen.
De vrije wandeling eindigt in een fuik. Alle reizigers moeten erlangs en ik sluit aan achter mensen die een halve wereldbevolking vertegenwoordigen. Na de algemene pascontrole zonder kletspraatje, kom ik in het enorme bagagedepot van de luchthaven. Achter de mat glazen wanden ligt de vrijheid en ik ga op zoek naar de band voor vlucht Kl 735 uit Curašao. Op een computerscherm dat ergens uit het plafond steekt, zie ik dat het nummer 19 is.
Ik zie het al van verre. Geel, heel veel geel. Bagageband nummer 19 is helemaal afgezet met gele linten. Ik kijk om zich heen, zie dat nummer 19 de enige met versiering is en vraag me af of er iemand vermoord is. Ik kijk nog eens op een scherm om er zeker van te zijn dat ik naar de juiste losplaats loop. Koppig geeft het scherm aan dat ik gewoon moet doen wat het zegt en ik loop door naar de plek waar het kennelijk allemaal gebeurt. Een opening zie ik zo gauw niet en daarom til ik het lint op om eronderdoor te kruipen.
'Zeg, juffrouw, dat gaat zomaar niet.' Een bewaker roept mij tot de orde. Ik sta al in het afgezette gebied en probeer hem met mijn charmantste glimlach te ontdooien. Maar de man is stellig en niet te vermurwen. Ik moet terug en netjes de route volgen die hij voor mij uitgestippeld heeft. Wat daar werkt, werkt hier niet, lijkt zijn gezicht mij te vertellen. Regels zijn regels en daarvan wijken we hier niet af. Ik stuur de man een boze blik die op zijn onaantastbaarheid afketst en aan diggelen valt. Tandenknarsend sleur ik mijn handbagage weer onder het lint door, zoek het gat waar ik dan wel door mag en ga, in afwachting van mijn koffer, tussen de groep samengedreven reizigers staan.

Ik tuur de band af, ontdek mijn koffer, trek hem eraf en sluit aan in de rij wachtenden voor de laatste controle. Nu alleen nog een r÷ntgenapparaat. Alweer. De zwarte blanke en de witte neger staan voor me, nog altijd druk in gesprek. Een douanier gebaart naar hen. Ze moeten bij de lange tafels tegenover het r÷ntgenapparaat komen. De beide heren wisselen een blik en zetten zich in beweging. De douanier begint wild te gebaren dat de ÚÚn moet blijven staan en dat de ander moet komen. De zwarte man in het wit neemt de dwingende uitnodiging aan en deponeert zijn koffer op de tafel. Ruw wordt hij gesommeerd. 'Openmaken.' Ik volg de procedure. Het selectiepatroon tekent zich heel helder af en ik voel me misselijk worden. Ik wil protesteren, schreeuwen, roepen dat dit allemaal niet zomaar kan. De witte neger ziet mijn rode kop. Hij haalt zijn schouders op en schenkt mij een glimlach. Ik kan er toch ook niets aan doen. Ik sjor boos mijn koffer verder de rij in en kwak hem op de r÷ntgenband.

Even later stap ik de aankomsthal binnen. Ik kijk de mensenmenigte langs maar herken niemand en niemand schijnt mij te herkennen. Ze hadden wel gezegd dat het tijdstip waarop ik aankwam bezwaarlijk was in verband met de files en zo maar er zal toch wel iemand komen? Als ik straks weer terugga, staat er zeker iemand. Daar hoef ik niet eens over na te denken, dat is gewoon zo. Het maakt niet uit, al kom ik middenin de nacht aan. Zo gaat dat, daar. Ik besluit een kwartier te wachten, in verband met die files, maar als er na twintig minuten nog niemand is verschenen, loop ik naar het treinstation. Mijn koffer voelt zwaarder dan eerst, mijn humeur ook.

Achter het loket zit een gepermanente juffrouw haar veel te lange nagels te veilen. Eindelijk, een punt van herkenning. Ze doet me aan de caissiŔres in de Curašaose supermarkten denken. Vaak verwonder ik me om de bijna onnavolgbare kunst met vijf centimeter lange nagels de juiste toetsen van de kassa in te kunnen drukken. En foutloos, zonder ook maar een van die fraai versierde kunstwerken te breken. De nagels van deze loketjuf zijn knalrood.
'U kunt beter een kaartje kopen via de automaat. Het kost u 50 eurocent extra als u het bij mij koopt.'
Ik moet er heel dom uitzien, bedenk ik me. Dat ik dat niet weet. Maar ik snap het niet. Ik moet een kaartje hebben en zij zit achter het kaartjesloket.
'Waarom moet ik extra betalen om u uw werk te laten doen?'
'Ik heb het niet bedacht, liefje. Het heet service, en voor service moet je betalen. Dus wat wordt het: een kaartje of niet?'
Vijftig eurocent is meer dan een Curašaose gulden. Voor een gulden draagt een jongen al mijn boodschappen naar mijn auto. Ik loop het loket uit op zoek naar een automaat maar als ik die vind, blijkt het ding mijn creditcard niet te lusten. Tegen de tijd dat ik de juffrouw achter het loket bereid heb gevonden mij een kaartje te verkopen, is mijn trein al vertrokken. Ik moet een uur wachten. Mooie service.
Ik besluit een telefooncel op te zoeken om Oma te bellen. Maar de telefoons vreten geen munten. Ik moet een telefoonkaart kopen en zeul mijn koffer naar de dichtstbijzijnde kiosk.
'Nee, hoor, niks meer. Daar had je eerder aan moeten denken, Miep. Nergens meer, op heel Schiphol niet, allemaal opverkocht,' is het bemoedigende commentaar van de kioskhouder. 'Heb je geen mobiel?' gooit hij erbovenop.
Een mobiel. Ik sta in mijn hemd, voel een 'bŔŔŔŔh' van binnen. Het schaap in mij roept. Oh, hij bedoelt een cellulair, nu snap ik het. Nee, die heb ik niet.
'Mag ik de uwe misschien even lenen,' vraag ik.
'Sorry, geen beltegoed,' liegt de kioskhouder.

Ik plof neer op een bankje midden in de stationshal. Service en dienstbaarheid, zijn ver te zoeken, hier. Op Curašao heb ik vaak een lekke band, maar er nog nooit een hoeven verwisselen. Zodra ik aan de kant van de weg sta te morrelen met mijn krik, stoppen er minstens twee auto's waar heel behulpzame mannen uitstappen die mij te verstaan geven dat dat geen werk voor vrouwen is. Ze nemen de klus van mij over, hebben in een mum van tijd de zaak geregeld en vertrekken even snel als ze gekomen zijn met alleen mijn 'masha danki' als beloning.
Ik steek een sigaret op, probeer de schade in te schatten. De trein gemist en niet kunnen bellen. Ik kom te laat op het feest, dat staat al vast. Als iemand me nou gewoon was komen halen, had ik nu al achter de koffie gezeten. Ik neem nog een trek en staar voor me uit als mijn blik bruusk wordt onderbroken door een blauw uniform. Voor mij staat een man met een boekje.

'Dat is dan 50 euro boete, mevrouw.'

Ik kijk de man verstoord aan.
'Hoezo 50 euro, voor wat?'
'U mag hier niet roken, dat moet u bij de rookpaal doen.'
De man in blauw wijst naar een metalen buis die uit de grond omhoog steekt.
Ik volg zijn vinger en zie een zilverkleurige soepstengel die vanuit het midden walmt, fikt zelfs. Een wat? Een rookpaal. Nog nooit van gehoord. Ik voel me een bizar soort vreemdeling. Dit is mijn land, ik ben hier geboren. Ik ben nog maar drie jaar weg. Waarom zeggen ze het niet als ze de regels veranderen? Hoe moet ik dat allemaal weten? Hoor ik dat eigenlijk te weten? Of zeggen ze expres niks om je buiten te sluiten? Daar lijkt het anders wel op. Als ik dit allemaal al niet snap, hoe is dat dan voor mensen die hier nog nooit geweest zijn? Drie jaar en ik pas al niet meer. En eerlijk gezegd, wil ik er ook niet meer passen. Ik ga staan en pak mijn koffer op. Er komt stoom uit mijn oren en mijn ogen hebben een gevaarlijke glans. De man met het boekje deinst achteruit en geeft mij ruim baan.
Stampend maak ik rechtsomkeert. Naar de balie van de KLM. Ik boek een passage terug in hetzelfde vliegtuig waarmee ik gekomen ben. Voor Oma koop ik een verjaardagskaart die ik ter plekke beschrijf. -Sorry, noodgeval thuis, moest direct terug, toch gefeliciteerd en doe vooral de groeten aan het hartelijke welkomstcomitÚ-
Ik kwak hem in de dichtstbijzijnde brievenbus, zonder postzegel want daarvoor moet ik weer naar een loket. Wat een rotland. En die Hemaworst, die kunnen ze in hun reet steken. Ik kan heel goed zonder.

Dutch treat © Elodie Berendsen

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2008  Elodie Berendsen