Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2006  Fred van Os

Vlucht - Fred van Os

Ik schiet maar niet op, ik moet gaan bridgen, maar ik kom maar niet vooruit. Dirk is vast al in het Denkcentrum en zit - ik weet het zeker Ė vol ongeduld te wachten. Ik sta in het oude dorpshuis; ik ben zojuist even weggelopen van het gezelschap dat in het onlangs tot restaurant omgebouwde voorzaaltje een jubileum of tig-jarige bruiloft viert, maar dat weet ik eigenlijk niet zeker.

Ik loop naar de grote zaal, die er donker bij ligt. In de hoek vlakbij het oude buffet staat een biljarttafel, voor het overige is de zaal leeg: geen tafels, geen stoelen, niets. Net als ik me afvraag waarom hier een biljarttafel staat, komt John eraan lopen. Hij is net als ik het gezelschap ontsnapt. Hij pakt ook een keu, die hij omstandig begint te krijten. Hij daagt me uit voor een partijtje biljart. Ik pak een keu en terwijl ik nog sta te krijten, stoot John af. Aan zijn kant van het biljart liggen er kranten, die het rollen van de biljartballen onmogelijk maken. Waarom haalt John die kranten niet weg? Ik begrijp er niets van. De omgeving is verveloos en verwaarloosd. In een flits moet ik denken aan het Panorama aan het veer, net voordat het werd afgebroken. Dat zag er ook zo uit, het had zijn oude glorie verloren.

Ik moet nu echt weg hoor, want straks begint de bridge en ik ben toch al zo laat. Ik neem de zijdeur, loop een gang door. Wat raar, ik ben nu in de gang van het Panorama. Dat kan toch niet? Ik open de deur naar buiten en kom op een achtererf, dat verdacht veel lijkt op dat van een van die oude dijkhuisjes aan het Oude Veer. Ik ben beland op het achterplaatsje van het tweedehands kledingsdepot van Blootshoofd. Het erf gaat hekloos over in een straat. Schuin aan de overkant staat een oud pand met een groot houten bord aan de gevel. Het ziet er antiek uit. Even kijken wat voor oud bedrijf hierachter schuil gaat, maar als ik dichterbij kom, veranderen de ouderwetse sierletters in een strakke moderne lettersetting. Coopers en Lybrands staat er op. De gevel ziet er trouwens nu ineens ook heel modern uit. Bah, wat smakeloos!

Ik loop verder, richting Muijlwijkstraat, maar ik loop zo traag, telkens sta ik stil. Opeens staat Dirk naast me en spoort mee aan haast te maken. Hij heeft onze fietsen bij zich. Ik moet op die van hem rijden, een aftands ding. De trappers kraken en piepen, de ketting rammelt evenals de spatborden die er elk moment van af dreigen te vallen. Waarom rijd ik eigenlijk op zijn fiets? 'Daar is nu geen tijd voor,' zegt Dirk gedecideerd.

Halverwege de straat is er een passage, de uitloper van een modern winkelcentrum. Gek hoor, hier was vroeger toch niets? Die winkels horen hier toch niet? We moeten afstappen en nemen de doorsteek die naar de Veerweg gaat. We fietsen weer verder, over de dubbele watergang, langs het huisje van Dirk. Maar het gaat veel te langzaam, zo komen we nooit op tijd!

We staan stil bij het gereformeerde kerkje. Dat is toch allang afgebroken, of vergis ik me? Is het soms gerestaureerd zonder dat ik dat heb gemerkt? We gaan verder en slaan linksaf Den Briel in. Maar die straat loopt toch dood? Niet helemaal. Er is een onverhard pad dat achter de huizen in de richting van de dijk loopt. Nooit geweten, maar we moeten door. Geen tijd te verliezen. Achter de gashouder langs komen we bij de wetering waarover een plank ligt die juist breed genoeg is om onze fietsen naar de overkant te dragen.

We staan op het erf van ome Cor, die hier zijn paarden houdt. We zien niemand, net zomin als op het aangrenzende erf van de tuinman. Gelukkig, de bakker ernaast laat zich ook niet zien. Het is muisstil, er hangt hier een dreigende sfeer. Het is duidelijk: we moeten stil zijn, ze zitten ons na! Via de Kikkersteeg vluchten we naar het Eiland, waar ik onmiddellijk de brandgang induik. Dirk ben ik kwijt geraakt.

Ik zet m'n fiets achter het huis van Jan Kaassie en loop daarna terug en kijk voorzichtig om het hoekje, Achter de muziektent is de brandweerkazerne en de achteruitgang van de marechausseekazerne. Ik schrik: er staat een groep Duitsers met staalhelmen op, hun geweren in de aanslag. Wat doen die Duitsers daar? De oorlog is toch allang over? Vaag ontwaar ik Wim van N., gekleed in het uniform van een Duitse SS-officier. Onder zijn uitbollende rijbroek draagt hij zwarte laarzen. Maar dat kan niet! Wim was toch tegen de Duitsers, of speelt hij nu zijn eigen oorlog en grijpt hij de macht?

De soldaten schreeuwen en schieten in de lucht. Ze hebben me gezien en komen mijn kant op! 'Grijp hem,' schreeuwt Wim. Ik moet vluchten, maar waarheen? In een flits schiet het me te binnen: naar de Julianastraat natuurlijk, daar is mijn huis, daar is een schuilplaats. Ik weet hier op het Eiland de weg als geen ander, maar eerst moet ik die Moffen op een dwaalspoor brengen. Ik klim over de schutting van de Boerenleenbank en duik achter een struik. Net op tijd! Stampende laarzen hoor ik voorbijgaan, ik ril van angst! Muisstil blijf ik zitten, de geluiden sterven langzaam weg.

Aan de andere kant van de tuin klim ik over de schutting en kom zo in de brandgang die achterlangs het huis van mijn onderwijzer, loopt. Zijn hond, een bruin gevlekte Drentse patrijshond, staat kwispelend op me te wachten. 'Koest,' fluister ik, 'ik heb nu geen voor jou!' Vlug loop ik de brandgang uit tot ik weer op een schutting stuit. Snel nu, over die schutting heen! Ik beland in de tuin van Ted O., waar ik in 't geheim verliefd op ben, en sluip ongezien de brandgang naar de Havenstraat in.

Nu komt het er op aan. Ik moet de Havenstraat over en achterlangs bij de geul de Gantel zien te komen. Heel voorzichtig loer ik om het hoekje. Ter hoogte van de Wilhelminastraat staat een Duitse schildwacht. Wat nu? Achter me hoor ik geluiden. Dat moeten de Duitsers zijn. Hebben ze soms een speurhond bij zich, die lucht van me heeft gekregen? Ik zweet van angst. Ik moet de Havenstraat over, hier blijven kan niet meer! Weer kijk ik om het hoekje. De schildwacht kijkt de andere kant op. Nu, nu moet ik oversteken! Ik ren de straat over en duik de brandgang aan de overkant in. Mijn hart klopt in mijn keel. Zou ik gezien zijn? Ik luister, maar hoor geen bevelen. Gelukkig, even ben ik veilig!

Ik sluip de brandgang door: links van me is het fabrieksterrein van de vliegtuigfabriek, rechts de huizen van de Havenstraat. Ter hoogte van Aai de Seen moet ik nog een schutting over en dan ben ik er. De zandjakker van de schipper, die op de hoek woont, ligt voor de kade. Ik loop er langs en spring op de rioolbuis, die afvalwater in de Gantel loost. Vlak naast me ligt het brugje dat over de Gantel ligt en toegang geeft tot het Slobbengors. Me vastklampend aan het lange gras kruip ik onder het brugje door en klim het steile talud op. Het is stil in de Julianastraat. Aan de overkant ligt ons huis. Hoe kom ik er binnen? Er staat een raam van de slaapkamer op de eerste verdieping op een kier. Via de regenpijp klim ik op het afdakje van de erker die de voorkant van het huis siert. Met moeite krijg ik het raam verder open en klim ik naar binnen. Er is niemand. Waar zijn mijn broers, waar zijn m'n zusjes, waar zijn mijn ouders? Ik hoor niets, het is doodstil in het huis.

Doodmoe laat ik me op mijn bed vallen, ik probeer me te ontspannen. Op de achtergrond hoor ik het geluid van soldaten, die vloekend en tierend op deuren bonzen. Het geluid wordt sterker, de soldaten komen dichterbij. Stiekem loer ik over de vensterbank naar buiten. Juist op dat moment komt een groep Duitsers vanuit de Beatrixstraat de Julianastraat op marcheren. Wim N. loopt voorop. Ter hoogte van het huis van onze buren beveelt hij met luide stem halt te houden. 'Hij is z'n huis ingevlucht!' hoor ik de buurjongen gemeen grijnzend roepen. Het is Henk, die daar met zijn brillantine kop slijmerig onderdanig naar de soldaten staat te kijken. Wat een lafaard, schiet er door me heen. Ik ben verraden! Wat nu?

'Sla een ruit in,' brult Wim N., terwijl hij wijdbeens met zijn pistool in de aanslag de soldaten de voortuin van ons huis in jaagt. Snel, ik moet naar de schuilplaats, die ik ontdekte toen ik nog klein was. Wat een geluk dat ik die nog weet! Terwijl ik het brekende glas van de voordeur hoor, snel ik naar de overloop en duik de gangkast in. Razend snel trek ik de deur achter me dicht. Soldaten stormen de trap op. Nu moet ik snel zijn! In het aardedonker open ik op de tast het luik dat in de vloer zit en laat me door de opening in de ruimte, die er onder zit, zakken. Het luik slaat met een harde klap achter me dicht. Zouden de Duitsers het gehoord hebben?

Ik zit in de bekisting die boven de schuifdeuren is aangebracht, op de scheiding van de voor- en achterkamer. Dit was eens de schuilplaats van mijn vader, nu zit ik er! Door kleine spleetjes vallen er lichtstraaltjes naar binnen. Stofdeeltjes dansen in het licht. Onder me lopen tierende soldaten door het huis, links en rechts slaan ze meubels in elkaar. Wim N. loopt stampend door het huis. In zijn zwarte SS-uniform ziet hij er angstwekkend uit. Schuimbekkend schreeuwt hij: 'Hij moet hier een schuilplaats hebben. Rook hem uit!' Van zijn koppelriem pakt hij een handgranaat. Dat gaat de soldaten te ver. Naast ons huis zijn Duitse officieren ingekwartierd en die protesteren heftig.

De soldaten druipen af, ze hebben er genoeg van. De geluiden verstommen, het wordt stil in huis. Maar ik was toch op weg naar de bridge? Ik kijk op m'n horloge. De in het donker oplichtende wijzers geven half acht aan. Over een kwartier begint het. Dirk heeft het natuurlijk op z'n gemak gehaald en zit daar vast te wachten. Ik moet er naar toe! Ik kruip uit mijn schuilplaats. Beneden is het een puinhoop. Het orgel in de voorkamer is in tweeŽn geslagen. De toetsen van het klavier liggen her en der verspreid door de kamer. Hoe kom ik nu in het Denkcentrum? De Duitsers hebben vast en zeker het Eiland afgesloten. Er is maar ťťn mogelijkheid: over de werf van V&S moet ik naar het Westeind zien te komen en via de Noordersingel kan ik de polder in, en dan maar zien wat er van komt.

Ik loop de brug over de Gantel over en sla rechtsaf naar de grote houten loods. Daarachter is het bruggetje naar het Westeind. Dat is waar ook: onder de dakpannen zitten vogelnesten! Even dan! Ik pak een lange houten ladder en zet die tegen de dakgoot. Langs de ruwe sporten klim naar boven. Het is heel hoog! Voorzichtig til ik een dakpan op. Raak, eronder zit een nest met vijf jonge lijsters, die piepend met open snaveltjes zitten te wachten tot ze gevoerd zullen worden door hun ouders. Vertederd kijk ik naar het gefriemel van dat jonge spul. Wat is de natuur toch mooi! Ik droom weg!

Maar wat is dat nou? Er wordt heftig aan de ladder geschud. Angstig kijk ik omlaag. Het is Wim N., hij staat onderaan de ladder. 'Nou heb je!' roept hij, terwijl hij omhoog begint te klimmen. Ik moet weg! Ik vlucht het dak op in de richting van de nok. Onder mijn voeten schieten de dakpannen los, die kletterend naar beneden vallen, rakelings lang het hoofd van Wim, die steeds razender wordt. Wim klimt me na. Gek hoor, dat hem dat met dat logge lichaam zo makkelijk afgaat! Hij komt snel dichtbij. Ik maak een trappende beweging naar hem, waardoor ik achterover over de nok van het dak sla. Nog net klamp ik me vast aan een kachelpijp, die door het dak steekt, maar onder mijn gewicht langzaam afbreekt. Ik kan me niet meer houden, ik glijd naar beneden. Ik probeer me vast te grijpen aan de dakpannen, maar die schieten ťťn voor ťťn los! Ik ben verloren, ik stort een peilloze diepte in. Ik schreeuw van angst en sluit mijn ogen!

Badend in het zweet word ik wakker!

Vlucht © Fred van Os

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2006  Fred van Os