Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2012  Ingrid van den Bergh

Broedtijd - Ingrid van den Bergh

…beelden die vanuit de buitenwereld kwamen instromen, maar ook en vooral,
die in mijzelf ontstonden en tekst wilden worden.
Hella S. Haasse (1918-2011)


In één beweging scheurt Mathilde de papieren lettergrepen van elkaar. Van binnen is er niets. Geen woorden, geen beelden. Verstrikt geraakt in haar eigen bedenksel worstelt ze met het ambacht dat haar zo onbetwistbaar op het lijf geschreven leek.

Het was er langzaam ingeslopen, vanaf het moment dat ze zichzelf had uitgedaagd met De lach van de orchideeënkweker, een titel die zich zonder enige aanleiding aan haar had opgedrongen. Al weken bivakkeerde ze in haar schrijfkamer, zonder maar een stap verder te komen. Ze dubde over het genre; werd het een thriller, een historische roman? Waagde ze zich aan Fantasy? Hoe moest de toon zijn, luchtig of juist ingetogen? En het perspectief; koos ze voor de eerste persoon of voor een alwetende verteller? Voorbarige vragen zolang ze nog geen idee had over de inhoud, want wie was toch die plantenman en waar had hij zo’n plezier om?
Vanaf haar jeugd had ze zich laten inspireren door auteurs met een origineel taalgebruik, een opvallende stijl. Ze bestudeerde de uitgangspunten van Bernlef, omarmde zijn ideeën over de toepassing van metaforen. Ze nam schrijflessen en bestudeerde de overeenkomsten tussen literatuur en schilderkunst. Ze las het poëtische proza van Hella Haasse, ontdekte de werking van beelden in een tekst.
Door onverklaarbare oorzaken lieten haar verworvenheden haar nu in de steek. Wat ze ook probeerde, ze kreeg geen letter op papier. Haar huis verstofte, ze moest nodig douchen, slapen, eten. Ze moest naar buiten.

Onderweg naar het park ruikt ze het water. Hier maakt ze haar hoofd leeg, in de herfst onder het brons van de bomen, in de lente op zoek naar ‘jong spul’; de kuikens van eenden, waterhoentjes en meerkoetjes. Ze zoekt het zwanennest, dat elk jaar op dezelfde plek wordt gebouwd. Zullen de vogels ook dit jaar weer broeden? Daar zwemmen ze hun rondjes, hun lange halzen reiken naar voedsel. Moeizaam stijgen de zwaargebouwde lijven uit de vijver op. Ze trappelen en slaan krachtig met de vleugels, om even later te landen op het water.

Mathilde schreef zolang ze zich kon heugen. Haar docenten lazen haar verhalen en voorspelden haar “een grote toekomst”. De verzen hield ze voor zichzelf. Bloemrijk de taal van de zestienjarige, met zijn overdaad aan beelden. Ze koesterde zich in die lente van haar dichterschap, stelde haar schatten veilig in een la van haar bureau.
Lente werd zomer en schrijversbloed kroop waar het soms wil gaan; de volwassen Mathilde verliet het pad van de dichter; een carrière als romanschrijver bepaalde haar nieuwe toekomstbeeld. Ze zou een excuus hebben zich te onttrekken aan de beknellingen van familie en vrienden. Mathilde, die moet je nu met rust laten, zou men zeggen; Mathilde schrijft haar debuutroman. Er zou begrip zijn voor die noodzaak zich af te zonderen, een verlangen dat ze Het geluk van de eenzaamheid noemde. Naar een titel van Connie Palmen, de schrijfster die zinnen sprak zoals Mathilde ze had willen schrijven.

Vanaf het pad langs het water ziet ze het gesleep met takjes, rietstengels, stro en wat de zwaan maar vinden kan. Zorgvuldig schikt de vogel alles tot een bergje plantaardig materiaal aan de oever van het water.

Zouden er ook andere auteurs zijn die eerst een titel bedenken en pas dan aan een verhaal of roman beginnen? Een titel die een ultiem beroep doet op verbeeldingskracht, op schrijverschap. Waarom maakte ze het zichzelf zo moeilijk? Waarom niet kiezen voor een andere titel, een nieuw thema. Of waarom niet gewoon, zoals voorheen, beginnen te schrijven en de titel later bedenken? Niemand zou er immers van weten, alleen zij zelf.

Aan de boorden van de vijver broedt de zwanenvrouw. Het water trekt, maar op weg erheen sleept Mathilde haar benen achter zich aan. Zonlicht fladdert tussen het lover. Het nestelt zich hinderlijk achter haar ogen; in haar hoofd dat al zo vol is van alles wat zich daar schuilhoudt, niet uit haar pen wil vloeien.
Onverstoorbaar hoedt de zwaan haar eieren. Vijf weken zal ze broeden, vijf lange, geduldige weken.

Misschien was ze te alledaags voor een schrijfster, moest ze haar levenswijze veranderen. Een excentriek uiterlijk, een omgeving die tot de verbeelding spreekt; zou dat de motor zijn om te produceren? Haar boeken schrijven in sigarettenrook, de borrel als bondgenoot, een Connie Palmen gelijk.
Ze verwierp de gedachte nog voordat deze had postgevat. Zo moeilijk moest het toch niet zijn een verhaal te schrijven over een personage dat orchideeën kweekt, een plantenfreak met een lach op zijn gezicht. Maar het was dit personage dat nu al veel te lang haar schrijvershand geketend hield, de orchis als obsessie. De bloem die ‘teelbal’ heet in onze taal. Zwart zaad was het wat haar plantenkweker zaaide, met schraalhans als keukenmeester in zijn bloementuin.

Ze rekt de lange hals, vist een rietstengel uit het water, schikt hem op haar nest. Tevreden is ze nooit. Haar man blijft dicht bij haar, zijn veren schemeren tussen het riet. Opdringerige vogels verjaagt hij uit de omgeving van het nest. Hij maakt zich groot, spreidt zijn vleugels; blaast.

Afgelopen zou het zijn met de grillen van de plantenman. Mathilde plofte neer op haar schrijfstoel bij het raam, het rode haar stond uit naar alle kanten. Een wirwar aan ideeën bevolkte haar hoofd, in uiteenlopende gedaanten drong de orchideeënkweker zich aan haar op.
Montecillo, één glas, om de verbeelding te voeden.
Koortsachtig begon ze te schrijven, in korte notities. Voorlopig met de hand; later zou ze alles wel uitwerken op de computer. Ze verzon een sprookje over een keizer die een echtgenoot zocht voor zijn dochter. Mathilde bepaalde dat alleen orchideeënkwekers in aanmerking kwamen als huwelijkskandidaat. Vervolgens bedacht ze een verhaal over een wedstrijd in het kweken van een nieuw orchideeënras. In haar overmoed liet ze één van de deelnemers een moord beramen op de potentiële winnaar.
Ten einde raad begon ze een verhaal over de eenzijdige liefde van een homoseksuele jongen voor zijn docent. Met Valentijnsdag liet de student bij zijn leraar een orchidee bezorgen, door een kweker met een mysterieuze lach op zijn gezicht.

De zwanenvrouw slaapt, waakt, vermagert. Even verheft ze zich van zes bleke eieren. Dan inspecteert ze haar veren; zijn ze groot, warm, sterk genoeg?

Nog één poging zou ze wagen, met een vertelling over een orchideeënkweker die een Nederlandse uitdrukking wilde laten aanpassen nu senioren niet meer achter geraniums zaten maar achter orchideeën, al jaren de trend op kamerplantengebied.
Ze startte haar computer op om na de eerste regels al te verdwalen in haar eigen doolhoven, te struikelen over de barricades die ze had opgeworpen voor zichzelf.
Aanvullen, schrappen, witregels definiëren, het vuur op de wangen.

Schrijven is, behalve een ambacht, bovenal een kunstvorm. Aan die overtuiging heeft Mathilde altijd vastgehouden. Maar wat ze tot nu toe heeft geproduceerd, dat is geen literatuur. Een betekenisloze woordenbrij, dat is het. Ze herkent zich niet in die belabberde stijl, rilt als ze de uitgebraakte woorden leest. Ze schaamt zich voor haar eigen taal, om van de inhoud maar te zwijgen.
In één beweging scheurt ze de papieren lettergrepen van elkaar, laat de snippers uit haar handen vallen. Waar is die beeldende kracht die haar eerdere verhalen kenmerkte, waar zijn de metaforen uit haar vroege gedichten? Wat voelde als een tweede huid is laag voor laag van haar afgepeld. Met open ogen is ze in de valkuil van stereotypen, banaliteiten en gemeenplaatsen getrapt. Ze mag haar schrijversgeweten niet sussen met de veelgehoorde bewering, dat zelfs in de beroerdste cliché’s een kern van waarheid schuilt.
Onbehagen bijt zich vast in de leegte tussen haar regels, twijfel knaagt aan haar scheppingskracht, haar schrijverschap. Mathilde weet niet hoe haar falen te duiden. Behoort ze tot diegenen die, na een succesvolle carrière, plotseling twijfelen aan hun kwaliteiten? Zoals soms voorkomt bij acteurs of zangers die een acute plankenkoorts ontwikkelen.
Zonnewarmte stuit op de kille muren van het huis. Mathilde verlaat haar schrijfkamer, laat de deur achter zich dichtvallen. Ze leeft en ademt op de automatische piloot. Een piloot met vliegangst.

Nauwelijks waarneembaar tilt de zwaan haar lijf een stukje op. Ze wappert met haar vleugels, laat zich dan weer zakken op het nest. Ze maakt een zacht geluid, als het blaffen van een jonge hond. Dan staat ze op van het nest en toont de wereld haar kroost. Vier… vijf… zes bolletjes muisgrijze wol.

Bij het ontwaken is er tekst. Woorden die, net als die verdomde titel, schijnbaar uit de lucht zijn komen vallen. Mathilde herinnert zich de ochtenden uit haar jeugd, het schrift dat altijd op haar nachtkastje lag om de regels op te schrijven waarmee ze soms wakker werd. Regels die uitgroeiden tot een gedicht, net als vandaag, nu ze het bijna had opgegeven.

In de buurt van het nest rimpelt het water rondom de jonge kuikens. Schichtig verkennen ze hun wereld. Zomer is in aantocht. Het duurt niet meer lang, dan moet de zwanenmoeder loslaten.

‘Waar ik het woord verwacht
stroom ik een waterval over mijn lippen…’

Was het de wijn, haar wekenlange afzondering? Ze weet het niet maar wat doet het ertoe.
Geen complexe intriges zullen haar tegenwerken nu beelden komen instromen vanuit de buitenwereld, beelden ontstaan in haar zelf. Hardnekkig als stuifmeel hechten ze zich in haar schrijversgeest. Om tekst te worden. Ze proeft de woorden, hun ritme, hun kleur, beluistert hun klank. Haar lichaam gaat mee in de cadans van de regels, de beweging van het schrijven.
Een bundel verzen ziet het levenslicht, verzen zonder dwang van metrum, rijm of vorm. Als laatste schrijft ze de titel.

Broedtijd © Ingrid van den Bergh

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2012  Ingrid van den Bergh