Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Jonne Kramer

Ontmoeting - Jonne Kramer

De man bij de tram had een hoed en een hond, en hij keek als een raaf naar de stad. Zijn zwarte jas hing wijd om hem heen en zijn oude handen hield hij op zijn rug. Hij keek naar het meisje waar iedereen naar keek, dat overstak zonder te kijken.
Ik zat graag op het terras van de Schouwburg. Het personeel is er belabberd en de klanten zijn verwend, maar het uitzicht is interessant.
De man aan de tafel naast me zat te schrijven. Op witte A4’tjes pende hij een nieuw meesterwerk bij elkaar. Ik kende zijn warrige hoofd wel, een regisseur van het een of ander, een theater alleskunner, kwam wel eens op tv. Dan wist ’ie nooit zo goed wat hij nou eigenlijk wilde zeggen, maar nu hij schreef leek hij geen enkele moeite te hebben om woorden te vinden.
De wind stak op. Een rood rokje wapperde omhoog en de mans papieren woeien van tafel. Hij sprong op en rende achter alle vellen aan. Niemand hielp hem. Iedereen keek. De raaf zag het ook. Daar gaat je meesterwerk, dacht ik. Net nog in je hoofd, nu verspreid over het Leidseplein.
Nadat ik mijn laatste slokje koffie op had, liep ik naar de tram. De raaf stond er nog steeds. Er waren al een paar trams langsgekomen, maar hij was in geen van alle ingestapt. Zijn hond was erbij gaan liggen. Ik stond ernaast en keek hem aan. Hij voelde het wel, maar keek niet terug.
 „Mijn beste vriend zit op een zeilboot ergens op een oceaan.” zei hij plotseling. Ik lachte.
„Misschien kent hij mijn vader dan wel.” Hij keek naar me vanuit zijn ooghoek. „Die doet ongeveer hetzelfde, schijnt.”
„Tja,” zei de raaf twijfelend, „misschien wel. Misschien zitten ze nu wel samen een potje te kaarten in de kajuit.” We waren stil. Die gedachte gaf me een vreemd gevoel.
„Denkt u vaak aan uw vriend?”
„Regelmatig, ja. Ik ken hem al heel lang. Al op de middelbare school maakten we samen vaartochtjes over het Markermeer en fantaseerden we over de wilde woeste zee. Als de wind hard opzette deed ik mijn ogen even dicht en beeldde ik me in dat ik op een groot schip zat, ver op een oceaan, gevangen in een storm.”
Hij deed zijn ogen dicht en glimlachte. Zijn jas wapperde om zijn lijf. Er woei een velletje papier langs. Een stukje meesterwerk.
„En dan als de wind weer ging liggen,” hij opende zijn ogen, „keken we elkaar aan en lachten we. We hoefden niks te zeggen. Ooit zouden we samen alle zeeën bevaren, dat wisten we zeker.”
De ogen van de raaf vulden zich met oude dromen en hoop. De hond keek verveeld, alsof hij dit verhaal al talloze keren had moeten aanhoren. Er stopte een tram voor onze neus.
„Moet je niet instappen, meisje?” vroeg hij, wakker geschud uit zijn verhaal door de piepende remmen van de tram.
„Neuh, nog niet. U?” Hij lachte.
„Nee. Ik ook niet. Verveel ik je niet met mijn verhaal?”
„Asboluut niet.”
Hij keek me voor het eerst recht aan. Hij doorboorde mijn gezicht met zijn blik en leek even verward. „Wat?”
„Niks. Je doet me aan iemand denken.”
„Hebt u inderdaad samen de zeeën bevaren?”
„Jazeker. We zijn bijna overal geweest. Heel lang werkten we op vissersboten. Ik had eigenlijk niet zo heel veel met dat vissen, gekke beesten vond ik het maar. Maar mijn vriend vond het prachtig. Hij was altijd op jacht. Op zee jaagde hij op vissen, aan land op dames. En ook dat vond ’ie prachtig.” Hij gniffelde. Er ging van alles om in zijn hoofd wat hij niet uitsprak, dacht ik.
„Als we dan aan land kwamen,” ging hij glunderend verder, „liepen we samen de haven uit op zoek naar een kroeg. Hij had woeste blonde krullen, een beetje zoals jij ook, eigenlijk, en hij had grote bruine ogen waarmee hij elk langslopend meisje nastaarde. En ze staarden terug, en giechelden. Allemaal.” Ik glimlachte. Ik herkende het wel. Ik ken ook eigenlijk geen een meisje dat niet zou giechelen als ze werd nagestaard door een jonge matroos. „En dan ontmoette hij in een kroeg een meisje dat geweldig was, want ze kon zo goed dansen, of zo lief lachen, of zo mooi zingen, of ze kende zoveel mooie gedichten uit haar hoofd, er was altijd wel wat, en dan was hij verkocht voor een paar dagen. Totdat we weer vertrokken en hij weer verliefd was op vissen en varen. Een huilend meisje met een gebroken hartje stond ons uit te wuiven op de steiger of op de dijk. Hij hing over de rand van de boot en zwaaide zo hard als hij kon. ‚Dag liefste! Tot snel! Ik schrijf je!’ riep hij dan. Hij schreef nooit.” De raaf dacht even na. „Of nou, hij schreef wel, maar hij deed de brieven nooit op de post, want zodra we aan land waren was hij alweer afgeleid door alle nieuwe dames die daar rond trippelden.”
Hij schudde zijn hoofd en lachte. Ik lachte mee.
„Ik ben na een tijdje gestopt met varen, ik had behoefte aan grond onder mijn voeten. Maar hij niet, geen denken aan. Hij werd gek als hij te lang op één plek was. Hij kon zich nooit binden, niet settelen. Altijd op de vlucht voor de echte wereld.”
Nog een tram. We keken elkaar aan. „Nog niet.” zei hij.
Intussen was de wind op het plein wat bedaard. De man op het terras had zijn blaadjes weer verzameld. Een ober bracht hem een nieuw kopje koffie waar hij gezien zijn gezichtsuitdrukking al lang op aan het wachten was.
„En? Jouw vader?” vroeg de raaf.
Ik wist eigenlijk helemaal niks van mijn vader, ik had zelfs nooit een foto van hem gezien.
„Ach, ik weet niet.” zei ik twijfelend. „Hij was jong, mijn moeder ook. Ze ontmoetten elkaar in Zweden. Visby, geloof ik, op dat eiland.” Hij knikte.
„Ja, Gotland.”
„Ja. Dat.”
„En hij was een zeeman?”
„Ja. Ik stel het me eigenlijk altijd een beetje voor zoals u net over uw vriend vertelde. Mijn moeder was bloedmooi, getalenteerd en slim, maar heel naďef, werd veel te snel verliefd. Hij was al weg voordat ze een foto van hem kon maken. En hij heeft nooit geschreven. Hij weet niet dat ik besta.”
De raaf keek een beetje bedroefd naar de grond.
„Oh, nee, het is niet zo’n droef verhaal, hoor.” probeerde ik troostend. Hij glimlachte door zijn droefheid heen. Hij keek me aan.
„Het zou grappig zijn als uw vriend mijn vader was, hč?” zei ik grappend. „Maar dat zou veel te toevallig zijn natuurlijk. Alle jonge matrozen zijn waarschijnlijk zo.” Hij keek twijfelend naar de overkant van de straat.
„Toeval bestaat niet, zeggen ze. Niet alle matrozen zijn zo.”
Het idee dat de vriend van de raaf mijn vader zou zijn gaf me een rilling.
„Ik heb mijn hele jeugd lang gefantaseerd over hoe hij zou zijn, hoe hij eruit zou zien. Ik heb hele verhalen om hem heen bedacht, mijn bed tot piratenschip omgebouwd en jarenlang gedroomd over de zee. Hij is vast een piratenkoning, een zeeheld, een veroveraar, dacht ik.” zei ik.
Ik wilde niet weten wie hij echt was. Ik wilde niet weten dat mijn vader een rokkenjager was en waarschijnlijk in elk havenstadje over de wereld een kind had dat net zo zoekend als ik was opgegroeid. Ik was boos op hem. Ik had behoefte aan een nieuwe held.

De raaf doorbrak de stilte. „Hoe heette je moeder?”
„Lena.”
Hij liet zijn hoofd hangen. Ik heb een raaf nog nooit zo bedroefd gezien.
„Ik was altijd op de achtergrond. Mijn vriend liep achter de meisjes aan, en ik dronk mijn bier aan de bar en keek naar de fratsen die hij uithaalde. Ik las een boek, of krabbelde wat zinnetjes die in me op kwamen op een bierviltje. Ik was nooit bezig met meisjes. Ik had geen zin om iemand zo te kwetsen als hij al die meisjes kwetste. Die huilende, wuivende meisjes. Ik snapte niet hoe hij dat elke keer weer aan kon zien.”
Een tram. De deur ging open en de raaf stapte naar binnen. Hij draaide zich om. „Totdat ik een keer een meisje tegenkwam in Visby. Ik was smoorverliefd op haar, meteen. Ze had geen oog voor mijn vriend, ze danste in het midden van de kroeg en toen ze moe was plofte ze naast mij neer op een barkruk, waarna ze me de drie leukste dagen van mijn leven bezorgde. Haar naam was Lena.”

Ontmoeting - Jonne Kramer

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Jonne Kramer