|
Antwerpen 1995
“Alweer iemand met verzamelwoede”, zei ik tegen mijn collega Tom, toen we de volgestouwde woonkamer binnengingen. “Hopelijk krijgen we alles in de verhuiswagen.” Een blik in de twee slaapkamers maakte me duidelijk dat we heel de dag bezig zouden zijn om alles in te pakken. Alleen al het opruimen van de stapels reclamebladen en rondslingerende kranten schatte ik op twee uur werk. De stank van stront en bedorven etensresten stokte mijn adem. Het aanrecht en de keukentafel leken wel ingesmeerd met vliegenlijm en de wc-pot was blijkbaar al jaren niet meer schoongemaakt. “Wat wil je?” merkte Tom op. “Een alleenstaande man met onderbeenprothese, die naar het schijnt van geen huishoudhulp wilde weten. Ik lees hier dat hij András Kató heet.” “Kató? Een Hongaarse naam.” Ik las het lijstje met daarop de spullen die we naar het bejaardenhuis moesten brengen: enkele kastjes, een bureaulamp, een dozijn boeken, een rode map met krantenknipsels en een stel krukken. De overige boeken, meubels en huishoudtoestellen waren voor het magazijn van de Commissie van Openbare Onderstand, de instelling waarvoor ik werkte. Van daaruit werd aan behoeftigen al het vergaarde uitgedeeld, van de grootste prullen tot slaap- en eetkamermeubels. Soms bleef er iets aan onze handen kleven. Ik had een voorkeur voor boeken. Zo nu en dan redde ik een veel belovende titel uit de messen van de papiervermaler. “Maak een keuze uit de boeken die niet naar de instelling moeten”, zei Tom die een met kranten ondergesneeuwde boekenplank wilde leegmaken. Ik bekeek boek voor boek. “Die man is vijftalig!”, riep ik verbaasd. “Engels, onze drie landstalen, en dit hier, wellicht Hongaars. Ik kon niet nalaten om stilletjes te vloeken. De boeken op het lijstje waren nu net die waarnaar ik al jaren op zoek was. Het waren niet meer te verkrijgen werken van Poe, Le Fanu, Crawford, Stevenson, de Maupassant en nog vele andere grootmeesters van het gruwelverhaal. “Helaas,” zei ik in de late namiddag tegen Tom, terwijl ik een laatste blik in de lege vertrekken wierp, “geen rode map met krantenknipsels.” “Haast je”, zei hij. “Misschien kunnen we zijn spullen vandaag nog wegbrengen.” Na een rit van tien minuten stopten we voor de ingang van het bejaardenhuis. Terwijl we de meubels en zes kartonnen dozen in de entreehal aflaadden, werden we aangestaard door tientallen bejaarden, weggezakt in de fauteuils tegen de muren. Een rolstoelgebruiker kwam naar me toe gereden. “Mijn rode classeur gevonden, jeune homme?”, snauwde hij. Zijn brutaliteit overviel me. Er lag iets dwingends in zijn stem. De vaalgele huid van zijn benige gezicht en skeletachtige handen had veel weg van de perkamenten kap van zijn bureaulamp: transparant en rimpelloos glad. “Uw rode classeur?”, stamelde ik. “Nee, maar in ons magazijn kijken we alles nog een keer na voor we het in de container gooien.” “Da’s jullie geraden!” “Uitkijken”, fluisterde Tom in mijn oor. “Volgens mij een man die naar de bazen durft te stappen.”
Hoewel het vijf uur was en onze werktijd erop zat, vroeg ik aan Tom om me terug naar het magazijn te rijden. Met meer ijver dan gewoonlijk doorzocht ik de kartonnen dozen. Tussen de stapels papieren en boeken vond ik de rode kaft. Ik vouwde haar voorzichtig open en verschoonde mijn nieuwsgierigheid met de gedachte dat het de prijs was die het oudje moest betalen voor zijn gesnauw. Ik doorbladerde een polsdik pak doorzichtige plastic kaftjes met daarin krantenknipsels. Elk knipsel verhaalde over zes moorden die tussen 1965 en 1972 in Luik en Brussel, vermoedelijk door dezelfde dader, gepleegd werden.
Die avond ging ik naar het bejaardenhuis. Ik wilde de map persoonlijk afgeven. De vriendelijkheid waarmee hij me vanuit zijn rolstoel vroeg om zijn studio binnen te komen, verraste me. “Vooreerst mijn verontschuldigingen voor mijn soms plotse humeurigheid”, zei hij terwijl ik de deur achter me dichttrok. “Ik ben kankerpatiënt, dat gaat je niet in je koude kleren zitten, en twintig jaar terug heb in een auto-ongeval mijn been kwijt gespeeld.” Ik knikte meelevend. Zonder mijn gezicht van hem af te wenden, draaiden mijn ogen voorzichtig alle kanten op. “Als ik nu nog van plek verander, is het tussen vier planken”, ging hij voort met een sarcastische grijns. “Kijk maar gerust in het rond, veel te zien is er niet.” “Een beetje kaal”, zei ik gedurfd, kijkend naar de lege muren en de kasten waar niets op stond. “En dat blijft zo. Gedaan met rommel en prularia.” Mijn aandacht ging naar het boekenrekje met daarin de door mij begeerde boeken. “Gruwelverhalen lees ik ook graag”, zei ik. “Dan weten we ineens waarom ik er maar veertien tel in plaats van vijftien.” Ik slikte. Het was goed mogelijk dat mijn leeslust me ongewild tot een slordigheidje had aangezet. “Mijn kop eraf als ge de knipsels niet gelezen hebt”, zei hij. “Alleen de eerste regels.” “Ga zitten, niets van aantrekken. Ik hou van curieusneuzen.” Ik zuchtte opgelucht. “In het laatste knipsel las ik dat diepe voetafdrukken de enige sporen waren die men ooit van de moordenaar gevonden heeft.” Hij keek me met gekruiste armen geamuseerd aan. “Dan hebt ge ook gelezen dat er iets eigenaardigs was aan de manier waarop hij zijn slachtoffers doodde?” “Toch voor een seriemoordenaar. Altijd op een andere wijze. Zowel mannen, vrouwen en kinderen, maar ze stierven altijd een gewelddadige dood: wurging, messteken, verhanging, ingeslagen schedel en wat nog meer. Geen lijn in te trekken.” Hij knikte instemmend. “Mede daardoor hebben ze hem nooit kunnen pakken. Het duurde even voor men aan één en dezelfde man dacht. Toch hadden de gendarmen dat vlugger kunnen weten.” Ik trok mijn wenkbrauwen hoog op om mijn verbazing en interesse te onderstrepen. “Hoe dan wel, als ik vragen mag?” Weer zette hij die boosaardige ogen op zoals tijdens onze eerste ontmoeting. Zijn handen trilden. “Kan ik je iets offreren?”, vroeg hij. Hoewel mijn keel droog aanvoelde, schudde ik mijn hoofd. Zijn snel wisselende gemoedstemmingen zegden me dat ik afstand moest houden. “Je bent jong,” zei hij traag, “en ik weet niet of ge weet hoeveel pijn het doet als iemand misbruik maakt van je zwakke positie.” Ik keek hem niet begrijpend aan. “Dat zal iedereen wel eens ervaren hebben, maar-” “Nee, dat heeft niet iedereen!”, schreeuwde hij met opgestoken vinger. Ik week geschrokken achteruit. “Het haalt de grond onder je voeten weg! Het vreet je op als een kanker, het…” Hij liet hijgend zijn hoofd hangen. Als een voddenpop hing hij voorover in zijn rolstoel. Ik voelde met hem mee. Toch achtte ik me niet geroepen om opnieuw naar het levensverhaal van een oude, getormenteerde man te luisteren die zich niet kon beheersen. Ik wilde het geen tweede keer meemaken dat een cliënt gehecht aan me zou raken en ik van onze directeur een standje zou krijgen met de woorden dat ik geen psychotherapeut ben. “Het spijt me, ik moet voortmaken”, zei ik. “Jammer”, mompelde hij. In het deurgat blikte ik nog even achterom. Hij keek me verdrietig en ontgoocheld aan. Voor het eerst zag ik een aan zijn rolstoel gekluisterde sukkelaar die vanuit zijn verlatenheid schreeuwde om aandacht.
De dag daarop verliet ik tijdens de lunchpauze het magazijn. Met mijn gereedschapskoffer in mijn hand stak ik de straat over en ging het gebouw binnen waar onze administratie huisde. Een maatschappelijk werkster had me al meerdere keren gevraagd om haar moeilijk te sluiten raam na te kijken. Ik zette mijn koffer naast haar fichebak en zocht met een onrustige hartenklop de naam Kató op:
András Kató: Geboren te Boedapest in 1910. Gehuwd, gescheiden en twee zonen. Uit zijn Hongaars medisch dossier blijkt dat hij in 1964 het slachtoffer werd van een auto-ongeval waarbij hij zijn rechter onderbeen verloor. In 1975 kwam hij naar eigen zeggen naar België en leefde tien jaar lang illegaal in Antwerpen. In 1985 vroeg hij om humanitaire redenen asiel aan en kreeg hij van de Antwerpse C.O.O. een gelijkvloers appartement toegewezen. In 1986 bekwam hij de Belgische nationaliteit. In december 1990 werd prostaatkanker vastgesteld.
Een onbestendig schuldgevoel overviel me. Ik was weggelopen van een ongelukkige die mijn aanwezigheid op prijs stelde. Iemand die zijn eigen levensverhaal maar niets vond en zich dan maar verdiepte in dat van een seriemoordenaar. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat hij me wilde doen geloven dat hij die moordenaar was, reden waarom hij volgens mij loog over het jaartal waarin hij zijn been verloor. Ik hoorde voetstappen. Zonder dralen ging ik naar het moeilijk te sluiten raam. Blanke slijtsporen maakten duidelijk waar het hout klemde. Met niet meer dan een grof schuurpapiertje klaarde ik de klus in minder dan vijf minuten. Ik vroeg me af of ik bij András Kató ook zou kunnen ontdekken wat er precies klemde. Misschien volstond een handjevol zalvende woorden om zijn laatste levensjaren wat frisse lucht te geven. Ik besloot om hem opnieuw op te zoeken.
Om toch maar geen van zijn woorden te missen beet ik traag op een krokant borrelnootje. Soms hoorde ik Poe spreken, dan weer een andere horrorschrijver. Ik wist niet wat ik van al zijn anekdotes moest geloven. Een fantast die zijn eigen hersenspinsels voor waar nam? Het deed er niet toe. Hij dronk van zijn glas water en ik van mijn biertje. “U ging me nog zeggen wat u heeft doen inzien dat er een seriemoordenaar aan het werk was”, zei ik. Hij sloeg zijn ogen neer en schudde zijn hoofd. “Het spijt me dat ik erover begonnen ben. Achteraf besefte ik dat die vraag in je kop zou spelen, ik wist zelfs dat je er voor zou retourneren.” “Dat heeft mee gespeeld”, zei ik zachtjes. “Spijtig voor je, ik zou het willen expliceren, maar ik heb een goed excuus om er niks over te zeggen.” Ik zuchtte. “Goed, ik respecteer uw besluit, mijnheer… maar u beseft toch dat u me nu nóg nieuwsgieriger gemaakt hebt?” Hij knikte. “Ge hebt gelijk, het ambeteert me, maar ge moet weten dat ik gezworen heb om er tegen elke levende ziel over te zwijgen.” “Of mijn ziel nog leeft, weet ik niet”, grapte ik. “Volgens God en gebod alvast niet.” “Ik weet wat ge nu denkt; die oude gek is een blagueur.” “Nee, hoezo?” “Ge wilt tegen elke prijs weten of ik bluf, niet?” “Tegen elke prijs? Als het maar geen geld is”, grapte ik opnieuw. In zijn diep liggende ogen ontwaarde ik een knagende bezorgdheid. “Allé vooruit dan… ik vertel het je. Maar daar wil ik wel iets sterkers bij dan water.” Hij gaf een duw aan een wiel van zijn rolwagen, keerde zich naar de kast achter hem en nam er een driekwart volle fles uit. “Palinka”, zei hij, terwijl hij de fles aanreikte. “Een Hongaarse sterke drank, al vijftien jaar lang niet meer open geweest. Ik had me voorgenomen om ze alleen nog maar voor een héél bijzondere occasie uit de kast te halen. Maar waarom de pleziertjes des levens niet delen met mijn niet-alledaagse gast?” “U bent een vleier, mijnheer Kató, maar toch ben ik zeer vereerd. Palinka, nooit over gehoord… zesenveertig graden lees ik op het etiket, straffe kost.” “En dit ook”, zei hij, terwijl hij een leesboek naar me toeschoof en vervolgens twee glazen halfvol schonk. “Gisteren heb ik de laatste bladzijde omgeslagen en ik moest aan je denken. Steek het maar meteen weg, en liefst niet lezen voor je gaat slapen.” “Een moordende bevinding van Alain Dufour”, las ik op de kaft. “Ook nooit over gehoord, maar alvast bedankt.” “Egészségedre!”, riep hij met zijn glas in de hoogte. “Egés… gezondheid,” lachte ik, “op uw nieuwe verblijf.” Terwijl hij zijn glas tot op de bodem leegdronk en me aankeek zonder een spier te vertrekken, nipte ik voorzichtig aan de naar rozen geurende drank. Hij smaakte pittig, waarop ik mijn mond met een royalere slok vulde. Met een krachtige ademstoot ventileerde ik mijn oververhitte keel. Door mijn betraande ogen zag ik zijn bezorgde blik. “Toch beter de deur op slot draaien”, zei hij terwijl hij er naartoe reed. “Als iemand ons hier ziet drinken krijg ik er van langs.” “Dat lijkt me verstandig. Mijn baas zou er ook niet om kunnen lachen.” Hij kwam opnieuw voor me zitten. Onze knieën raakten elkaar bijna. Ik voelde me plots misselijk. Mijn hoofd en armen voelden zwaar. Mijn gastheer keek me met halfopen ogen aan. “Voor mij is het einde met enkele maanden vervroegd”, zei hij. “Voor jou met vele jaren… en voor het eerst, en natuurlijk voor het laatst, ga ik met iemand mee.” Ik liet het glas uit mijn hand vallen en keek hem als versteend aan. Alles draaide om me heen. De ogen van de man voor me vielen helemaal dicht. Ik kwam overeind en greep de armleuningen van zijn rolstoel vast. “Jij dan toch,” riep ik in zijn gezicht, “een seriemoordenaar met één been, en waarom?” Hij opende zijn ogen en keek me droefgeestig aan. “Je zou van al wat ik offreerde niets aangepakt hebben als je me niet vertrouwd had.” “Man, spreek mensentaal, of ik sla-” “Ik was een kind en leed dikwijls honger. Een buurman…” Hij sloot weer zijn ogen. Ik gaf hem een klap tegen zijn slaap. “Een buurman gaf me te vreten. Toen ik merci zei, brutaliseerde en verkrachtte hij me. Met iedere moord nam ik wraak op wat ze hier zo schoon ‘goedgelovigheid’ noemen. Het is de speurders blijkbaar nooit opgevallen dat er in de maag van mijn zes slachtoffers altijd pas genuttigd eten en drinken zat.” Ik had moeite om mijn evenwicht te bewaren en greep zijn armleunigen steviger vast. “En lijken verslepen… met één been?” “Iedereen leed in Hongarije honger… voor tienduizend forint, de prijs van enkele broden, kon je je medisch dossier laten aanpassen. Ik heb een foutloos parcours gereden, niemand zal me als een moordenaar herinneren.” Ik liep naar zijn wc en beet als een uitgehongerde leeuw in het stuk zeep dat er lag. Een gulp braaksel kleurde het wit van de wc-pot donkerbruin. Wakker blijven, beval ik mezelf in gedachten. Alles moest eruit. Ik hoopte dat mijn overgevoelige maag me zou redden. “Waarom nog dat boek,” riep ik met hoofd in de wc-pot, “en waarom me hier willen vergiftigen terwijl je niet als moordenaar herinnerd wilt worden?” Opnieuw spoot er een straal braaksel uit mijn mond. “Open de deur!”, schreeuwde iemand. Ik hoorde het deurslot overgaan. Steunend op de wc-bril probeerde ik overeind te komen. “Die is dood”, hoorde ik dezelfde man in de woonkamer zeggen. Voetstappen, verre stemmen en gestommel, het laatste wat ik hoorde.
De zachte plek waarop ik lag en de gladde stof die mijn vingers streelden, lieten er geen twijfel over bestaan dat ik in een bed lag. Door mijn halfopen ogen keek ik links van me op een baxter en boven mijn borst hing binnen handbereik een triangelvormige grijphaak. Het drong tot me door dat ik in een ziekenhuiskamer lag. Een man in het wit kwam met trage passen naar me toe en nam een stoel. Alsof die van glas was, zette hij hem naast mijn bed en ging voorzichtig zitten. “Ik ben dokter Schreurs”, zei hij. “Je hebt meer geluk dan de heer Kató, maar het was op het nippertje.” De naam Kató maakte mijn comateuze geheugen meteen wakker. “Of hij die Luikse seriemoordenaar uit de jaren zestig is, weet ik niet zeker,” fluisterde ik, “maar zijn laatste woorden houden alvast geen steek.” Ik zag aan de dokter zijn gezicht dat hij niet wist waarover ik het had. “Rustig, maar”, zei hij. “De politie wil je enkele vragen stellen, maak je daar vooral geen zorgen over. Je hebt niets strafbaars gedaan. De komende dagen en weken gaan we dat eens rustig bekijken.” “Rustig bekijken? Wat is hier eigenlijk gaande?” De gemoedelijke trek op zijn gezicht kreeg iets ernstigs. “Je bent ter observatie in de psychiatrische afdeling van onze kliniek… schaam je maar niet, ik heb hier veel mannen zien passeren die het later in hun leven toch gemaakt hebben.” “Psychiatrische afdeling? En ter observatie voor wat? Ik moet verdorie gaan werken.” Hij schudde zijn hoofd. “Dat is al geregeld. Ik heb je een maand ziekteverlof voorgeschreven, daarna zien we wel.” “Een maand ziekteverlof? Vanavond ben ik hier weg.” “Ik begrijp het, maar … aan een poging tot zelfdoding gaat heel wat vooraf. Gelukkig ben je tijdig op je stappen teruggekeerd.” “Een poging tot zelfdoding?” “Rust nu maar”, zei hij terwijl hij rechtop ging staan. “Rusten, na al wat je hier komt te zeggen? Hij glimlachte gemaakt en ging de deur uit. Zelfmoord, dacht ik verbijsterd, hoe komen ze dáár bij? Als een gezonde, jonge man als ik zelfmoord wil plegen, laat hij toch een boodschap na, of zendt hij voorafgaand signalen uit. Ik ben het slachtoffer van een moordpoging, zo veel is duidelijk. Maar waarom is men er blijkbaar van overtuigd dat het anders is? Mijn hart ging plots sneller slaan. Ik wierp de lakens van me af en strompelde in mijn pyjama huilend de gang op. “Ik wil die dokter Schreurs spreken!”, schreeuwde ik tegen een verpleegster. Een prik in mijn arm was het laatste wat ik me herinnerde voor ik opnieuw mijn ogen opende, met ook nu weer dokter Schreurs naast me. “Wat hebben ze ingespoten?”, vroeg ik. “Iets om te kalmeren, meer niet. Verzet je gedachten nu maar. De zuster brengt een krant als je wilt, en daar ligt de afstandsbediening van de tv.” Ik knikte gelaten. “Maar dokter, over lezen gesproken, waar is het boek dat in mijn jas zat?” “Wel, ik weet niet of het nu al-” “Nu al wat? Komaan, man! Het is míjn boek, of denk je dat ik een truc bedacht heb om er zelfmoord mee te plegen? Ik vraag me trouwens af wie hier gek is.” Hij ging weg en even later kwam hij ermee aandragen. “Ik heb ook voor een balpen en papier gezorgd”, zei hij. “Onderstreep in het boek wat meegespeeld heeft, of schrijf het op.” “Meegespeeld? Meegespeeld met wat?” “Tot straks”, zei hij. Nieuwsgierig, maar ook verbolgen begon ik de achterflap te lezen:
In ‘Een moordende bevinding’ verhaalt de auteur Alain Dufour de interactie tussen een jonge man en een oude terminale kankerpatiënt. De oude man vindt dat hij van zijn leven niets terecht gebracht heeft. Na meerdere gesprekken met zijn jonge vriend komt hij tot de overtuiging dat zijn leven verlopen is zoals het eenmaal moest verlopen. Verdere gesprekken doen beiden inzien dat iedere mens deze wereld gedesillusioneerd zal verlaten. Samen besluiten ze de gifbeker te drinken.
|
|