Linda Mulders

Pluisjes

Het is vandaag maandag maar het voelt nog als zondag. Ik vind dat niet prettig. Andersom wel, omdat je je dan steeds opnieuw kunt baden in het idee dat de week lánger duurt dan gedacht. Nu voel ik me al de hele dag alsof ik tijd tekort kom.
Bij het raam is een ouder echtpaar komen zitten. Ze zijn de enigen in de zaak; op maandagochtend is het nooit druk bij John’s Fish ’n Chips. Ze krommen hun rug over het tafeltje om samen de menukaart te kunnen bekijken. Genie geeft ze een paar minuten en loopt dan op ze af. Ze noteert de bestelling op haar notitieblokje.
Ik loop met haar mee naar de keuken, waar John over de krant gebogen op het aanrecht hangt.
‘Er zijn zaterdag meer dan een miljoen mensen naar Londen gekomen voor de uitvaart,’ merkt hij op. Hij houdt de voorpagina naar ons omhoog, met een grote foto van Prinses Diana’s kist, bedolven onder witte lelies.
‘Weet je hoe het ongeluk is gebeurd?’ Genie pakt een dienblad en schaaltjes om de jam en de clotted cream in te doen.
‘Nee,’ zegt John nieuwsgierig. ‘Weten ze dat al?’
‘Nou, Lady Di en Dodi reden achterin een limo door Parijs. “Ga erin, ga erin,” roept Lady Di. “Oké,” zegt de chauffeur, en hij duikt de tunnel in. “Harder, harder!” klinkt het van de achterbank. “Oké, antwoordt de chauffeur, en hij geeft flink gas. “Ja zo!” roept de prinses. En haar laatste woorden: “Ram die paal!”’
Het duurt even voordat John doorheeft dat het om een schunnige grap gaat in plaats van om een journalistiek feit.
‘Oh,’ antwoordt hij. ‘Ja, haha.’ Hij kijkt op haar notitieblokje en legt broodjes in de oven. Ik leun tegen het aanrecht, genietend van de warme, troostende broodjeslucht die zich door de keuken verspreidt. Ik doe alsof ik niet zie dat John Genie in haar nek kust. Het irriteert me als ze dat doen onder werktijd. Ze zien toch dat ik erbij sta?
Alle drie kijken we op als we de buitendeur horen. John trekt zijn wenkbrauwen op maar verdiept zich dan weer in Genie’s hals.
‘Ik ga wel,’ zeg ik.
In de eetzaal staat een lange man bij de bar. Hij draagt een pantalon en een ribjasje en kijkt de andere kant op, naar de muurschildering. Ik blijf staan. De schitterende open oceaan die zich uitstrekt over de muur ziet er heel anders uit dan de donkere zee die je door het raam kunt zien. Het was een idee van John, zodat de gasten het hele jaar door een vakantiegevoel hebben. Als de man zich omdraait, zwikken mijn enkels op mijn nette pumps. Mijn gehemelte trekt samen als hij naar me lacht.
Hij was de jongen met de zachtste handen die ik ooit gekend heb. In Cornwall werken de mannen, maar Aidan las. Hij wist alles. ’s Avonds lagen we samen op de schommelbank in de tuin, totdat mijn moeder thuiskwam en hem weg joeg. Hij las me voor uit boeken van schrijvers met exotische namen. Milan Kundera. Simone de Beauvoir. Gabriel Garcia Márquez.
Met zijn vingertoppen plukte hij pluisjes uit mijn navel, die zich daar hadden verzameld van mijn kleren, en verklaarde dat ze van hem waren. We vreeën niet, al wilden we het soms zo graag dat het bijna tastbaar was. We dachten nog dat we alle tijd hadden.
In de twaalf jaar dat ik hem niet gezien heb is hij een stoppelbaard gaan dragen. Hij is niet meer dezelfde opgeschoten jongen maar is nu breed in zijn schouders. Hij zegt nog steeds niks, hij kijkt alleen maar. Ik vraag me af wat hij nu ziet. Of hij nog steeds het meisje ziet met de diepe navel. Onwillekeurig leg ik een hand op mijn buik. Dan stapt hij naar voren.
‘Carly. Mijn God, kijk jou nou! Je bent geen spat veranderd!’
Zijn ooit perfecte Cornse accent is verworden tot een imitatie. Het echtpaar bij het raam kijkt nieuwsgierig op en houdt ons in de gaten.
‘Je bent er weer.’ Ik hoor zelf hoe stug het klinkt, maar hij glimlacht breed.
‘Ik overval je. Het spijt me dat ik je hier zo aanspreek.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Dat geeft niet.’
‘Ik kom wel terug. Hoe laat ben je klaar met werken?’
Ik wil niet dat hij weggaat. Wat nou als hij niet meer terugkomt? Allemachtig, denk ik dat soort dingen echt? Ik toch niet…
‘Om vier uur,’ zeg ik snel. In een poging tot flirten voeg ik eraan toe: ‘Je mag me een lift naar huis geven.’
‘Dat is goed,’ zegt hij zeer serieus. Ik zie dat hij naar mijn handen kijkt en naar de smalle zilveren ring om mijn vinger, dan dwaalt zijn blik weer terug omhoog.
Achter me slaan de deuren van de keuken open. John loopt langs ons heen met het dienblad voor het echtpaar. Hij glimlacht vriendelijk naar Aidan. ‘Ik kom zo bij u.’
‘Nee, bedankt.’ Hij knipoogt naar mij. ‘Ik was alleen de weg kwijt.’

De rest van de dag werk ik zonder na te denken. Ik wist dat Aidan ooit terug zou komen, maar niet vandaag. Nooit vandaag.
Van sommige woorden weet je meteen wat ze betekenen en anderen moet je opzoeken. “Meanderen” is zo’n woord dat ik niet meteen wist. Het heeft niets met “me” en “anderen” te maken maar met hoe een rivier loopt. Van “verwateren” is de betekenis echter wel duidelijk – er komt ergens water tussen, het drijft uiteen. Dat was bij Aidan en mij zo, letterlijk omdat zijn moeder met hem naar Europa verhuisde en figuurlijk omdat we niet zulke trouwe brievenschrijvers bleken te zijn als we zelf dachten. Hoewel ik van tevoren een bepaalde romantiek had toegeschreven aan een liefdesrelatie die puur bestaat uit correspondentie, moest ik al snel concluderen dat het niet voor mij was weggelegd. Ik heb het nodig om huid aan huid met iemand te kunnen liggen, om de nicotinesmaak op zijn tong te kunnen proeven, om de frisse gelgeur uit zijn haar op te kunnen snuiven. Dat zijn de dingen die ertoe doen, die blijven.
Het laatste wat ik van hem ontving was een rouwkaart, vijf jaar geleden. Zijn moeder was overleden. Een deel van mij had verwacht dat hij terug zou komen, maar een ander deel was niet verbaasd dat hij weg bleef.
Om vier uur zeg ik John en Genie gedag en verwissel ik mijn werkkleding voor een groene rok en een wit bloesje. Mensen met rood haar moeten geen rode kleding dragen. Ik trek een panty aan die mijn benen lelijk oranje kleurt. Had ik maar een duurdere gekocht. Maar blote benen voelen te naakt, dus ik hou hem aan.
Voor het restaurant staan twee auto’s geparkeerd: de pick-up van John en een opvallende roze Twingo. Aidan leunt er tegenaan.
‘Apart,’ merk ik op als ik binnen gehoorsafstand ben.
‘Het verhuurbedrijf had niets anders.’
Hij houdt het linkerportier voor me open en laat me instappen. Terwijl hij om de auto heen loopt, gluur ik naar mijn benen. Veel te oranje. Slecht idee.
‘Ik zat eraan te denken om naar die Ierse pub in Camborne te gaan,’ stelt Aidan voor. Hij start de motor. ‘Weet je nog?’
Weet ik dat nog? Ik kom er iedere vrijdag. Niemand praat er ooit tegen me.
‘Wanneer ben je voor het laatst bij Land’s End geweest?’ vraag ik, verwijzend naar het uiterste puntje van Cornwall.
‘Jaaa!’ roept Aidan als een klein kind. ‘Wat een goed idee. Daar ben ik in geen eeuwen geweest.’
Ik heb nooit bij hem in de auto gezeten, want hij was zestien toen hij wegging. Hij lijkt te lang voor het kleine autootje – als een oud vrouwtje zit hij achter het stuur gepropt. Desondanks rijdt hij vlot door.
‘Woon je nog in Camborne?’ wil hij weten.
Tegen mijn slapen bonkt de vraag wat hij hier doet.
‘In hetzelfde huis,’ antwoord ik. ‘Ik heb het overgenomen van mijn moeder toen ze verhuisde.’
‘Dacht ik het niet!’ Hij lacht. ‘Ongelofelijk hoe weinig er hier veranderd is,’ zegt hij met een wijds gebaar naar de voorruit. ‘Het lijkt alsof ik nog geen week ben weggeweest.’
Zijn opmerking voelt als kritiek. Ik zwijg, hij praat door.
‘Weet je, soms herinner me ik ineens nog van die kleine dingen van je. Zoals je pluisjes, weet je dat nog?’
‘Je stopte ze in je eigen navel.’
‘Ik heb ze bewaard. In een doosje. Zitten we in de buurt van de bioscoop? Ja hè?’
Ik knik.
‘Ik heb een zoon,’ zegt hij ineens.
Een zoon? De Twingo hobbelt over een aantal ribbels in de weg. Ik zie een kleine versie van hem voor me, geboren uit iemand anders. Iemand die ik niet ben. Ik zak een beetje onderuit.
‘Lucas is drie,’ vervolgt hij. ‘Eigenlijk is hij de reden dat ik hier ben.’
‘Heb je hem meegenomen?’
‘Dat niet.’ Hij snijdt een bocht af. ‘Weet je nog wie Pyke is?’
Meteen zit ik rechtop in mijn stoel. Alsof ik die man ooit zal vergeten. ‘Je psychiater.’
‘Juist. Waar mijn moeder me naartoe had gestuurd omdat ik onhandelbaar zou zijn.’
Ik snuif. Aidan’s moeder was zelf grillig en onhandelbaar – heel anders dan Aidan, wiens sporadische woedeaanvallen eerder puberaal dan pathologisch waren.
‘Ik luisterde nooit naar Pyke,’ vervolgt Aidan. ‘Ik had geen behoefte aan zijn conclusies en zijn gezeur, ik had het druk genoeg met mezelf.’
‘Waarom dan nu wel?’ wil ik weten.
‘Het gaat niet goed met Lucas. Hij praat niet en hij heeft een vreemde obsessie met wasknijpers.’
‘Veel kinderen hebben obsessies die wij niet begrijpen,’ zeg ik.
‘Hij heeft een mandje vol en vult zijn dagen door ze eerst te sorteren op kleur, dan op materiaal. Dan weer op kleur. Dan weer op materiaal. Hij kijkt niemand aan. Als mijn vrouw hem optilt, begint hij te huilen. Maar je kan hem ook niet alleen laten.’
De vrouw. Natuurlijk is er een vrouw.
‘Het spijt me,’ zeg ik.
‘We proberen uit te vogelen wat er met hem is. Het kinderdagverblijf denkt aan autisme.’
‘Wauw.’
‘Ja. Ze vroegen naar de psychiatrische voorgeschiedenis van de familie. Je weet wel, om verbanden te zien.’
‘Maar jij bent niet autistisch.’
‘Ik weet niet wat ik ben. Mijn vrouw en ik zijn er natuurlijk over gaan lezen, en het komt bij autistische kinderen wel vaker voor dat er iets is met één van beide ouders. Ik vond altijd dat Pyke en mijn moeder overdreven, maar misschien heeft hij toch iets opgepikt. Ik bedoel, vlak nadat hij zijn onderzoek met mij had afgerond, verhuisde ze met mij naar België. Destijds vond ik het typisch iets voor haar om het roer zomaar ineens om te gooien, maar nu vraag ik me af of er niet iets in zijn rapport stond waardoor ze die beslissing maakte. Iets zinnigs.’
Mijn nek verkrampt. Hij heeft gelijk, maar hij weet het blijkbaar nog niet. Ik haal stug mijn schouders op. ‘Wat kan er nou in staan?’
‘Geen idee.’ We zijn er. Hij draait de auto de parkeerplaats op. ‘Dat ga ik morgen zien.’
Land’s End beleeft een zonnige namiddag. Toeristen hurken als meeuwen op de kliffen. De zee, aanlokkelijk maar verraderlijk voor zwemmers, schittert als een femme fatale. Om ons heen dansen pluisjes van de bomen. Aidan ademt diep in. Nu hij zijn ogen gesloten heeft, maak ik van de gelegenheid gebruik om hem op te nemen. Het kuiltje in zijn kin, iets links van het midden, zijn net wat kromme neus. Ook al heb ik hem al twaalf jaar niet gehad, en behoort hij nu iemand anders toe, ik kan hem niet verliezen. Hij mag het niet lezen!
We gaan op een bankje zitten. Ik wil het niet meer hebben over de vrouw en het kind die ik niet ken, die bij een deel van zijn leven horen dat niets met mij te maken heeft. In plaats daarvan praten we over vroeger. In het westen gaat de zon onder, maar het is te bewolkt om mooi te zijn. Het wordt alleen maar langzaam duister.
Als iedereen weg is, zitten wij er nog. Natuurlijk zitten wij er nog. Als twee mensen van elkaar gehouden hebben, en dan niet van elkaar houden op de standaard ik-vind-je-lief-manier maar op een manier waarop je weet dat je bestaat bij de gratie van het bestaan van de ander, dan is een onafgemaakt verhaal onverdraagbaar.
‘Ik heb een man,’ fluister ik.
‘Ik heb een hotelkamer,’ zegt hij.
Ik schiet in de lach. ‘Een hotelkamer, Aidan? Serieus?  Wanneer ben je een wandelend cliché geworden?’
Hij lacht mee. ‘Wat wil je dan?’
Ik wil niet in een hotelkamer vrijen. Dus doen we het in de Twingo. Overal ellebogen, knieën, pluisjes in navels, kledingstukken die niet over gewrichten heen willen, en dan Aidan in mij. Dit is niet hoe ik ben. Ik heb in mijn hele leven pas met één man gevreeën. Maar aangezien hij in de eerste plaats die man had moeten zijn, en het de laatste keer is dat het ooit nog kan, denk ik dat het goed is. Oh ja, het is goed. Het is heel goed. Gedachten, herinneringen, verwijten, verraad, verbondenheid, oud gevoel, nieuw gevoel, alles tuimelt over elkaar heen in een oorverdovende kanon. Ik wou dat ik kon zeggen dat de golven op de rotsen uiteen spatten tijdens een gelijktijdig orgasme, maar de waarheid is dat het meer zo ging:
‘Nu?’
‘Ja, ja, Carly, nu!’
Ik laat de pijl uit de boog van mijn opgebouwde spanning schieten en kom klaar. Ik stop met bewegen, schreeuw zijn naam en realiseer me daarna dat zijn lichaam nog strak gespannen is, zijn pupillen groot.
‘Ben je niet..?’  vraag ik.
‘Nee!’
‘Maar je zei “nu”!’
‘Ja, niet meteen “nu”.’
‘Wat betekent “nu” dan nog meer?’
Hij gromt en begint weer te bewegen. Tien seconden later komt hij prachtig klaar, de ogen gesloten, zijn handen net stevig genoeg in mijn rug geklauwd. Twintig meter verderop rent een groepje schoolkinderen gillend van het lachen weg.
Ik kijk hem aan. Zijn mondhoeken trillen. Hij trekt me tegen zich aan en grinnikt in mijn hals. Ik bijt hem zacht, dan zoek ik onze kleren uit op de vloer van de auto. Giechelend als een stel tieners rijden we terug.

De volgende dag haalt Aidan me op om naar het kantoor van Pyke te gaan. Hij had er in zijn postcoïtale roes mee ingestemd dat ik mee ging maar lijkt daar nu niet meer zo zeker van. Toch komt hij niet op zijn woord terug. Zo is hij.
‘Kom binnen,’ zeg ik. ‘Ik ben bijna klaar.’
Ik loop naar boven om een vest te pakken. Vandaag is het kouder dan gisteren en bovendien wil ik tijd rekken. Ik wil niet dat hij het rapport leest, maar kan ook niet tegen Aidan in gaan. Dat zit niet in mijn natuur.
Het huis is eigenlijk te groot voor Peter en mij alleen. Daarom is het niet meer zo mooi als het vroeger was. Ik hoop dat Aidan geen oog heeft gehad voor het opgeschoten onkruid in de voortuin, de afgebladderde verf. Als ik terug kom, tref ik hem aan in de achtertuin. Ook die is te groot om echt bij te houden. Ik heb er al vaak commentaar op gekregen.
‘Het is een oerwoud,’ zeg ik, ‘maar ik vind het mooi.’
‘Dat weet ik.’ Hij kijkt om zich heen. ‘Ben je gelukkig hier?’
Ik knik.
’Kom,’ zegt hij, ‘dan gaan we.’
Het is een kort ritje naar de praktijk. Veel te kort en alledaags voor ons laatste moment samen. Het is te snel. Ik heb nog zoveel vragen, nog zoveel tijd die ik met hem wil doorbrengen. Mijn hoofd voelt licht aan.
We parkeren de Twingo in een zijstraat en lopen het laatste stukje.
De deuren met daarop in witte letters Psychiatric Practice for Children and Adolescents glijden geruisloos voor ons open als de bewegingssensor ons aan voelt komen.
Aidan loopt op de receptioniste af .
‘Aidan Hanks,’ zegt hij. ‘Ik heb een afspraak om mijn dossier te komen bekijken.’
‘Dat klopt!’ De vrouw haalt een grote enveloppe te voorschijn. Al mijn hoop dat het dossier misschien kwijt of vernietigd is, vervliegt. ‘Loopt u maar mee.’
Ze staat op en kijkt om om te zien of we haar volgen. Aidan haalt zijn schouders op naar mij en we lopen achter haar aan. De kleur van haar panty past perfect bij die van haar benen; je ziet bijna niet dat ze er één draagt.
Ze laat ons binnen in een kleine ruimte met stoelen en een tafel. De enveloppe overhandigt ze aan Aidan.
‘Roept u mij maar als u klaar bent.’
Dan is ze weg. Aidan gaat aan de tafel zitten en opent de enveloppe. Ik neem naast hem plaats, spelend met de ring om mijn vinger. Is er toch niet een kans dat dat waar ik zo bang voor ben er niet in staat? Nee, zeker niet. Anders zou zijn moeder niet verhuisd zijn.
‘Weet je zeker dat het wel een goed idee is?’ probeer ik. ‘Ik bedoel, wat verwacht je te vinden? Maakt het echt iets uit?’
Hij spreidt de papieren voor zich uit. ‘Wat heb je toch? Maak je geen zorgen, ik kan het heus wel hebben.’
En dan is hij vertrokken in de regelmatige halen van Pyke’s handschrift.
‘Kijk, dit zijn de aantekeningen van onze gesprekken. 4 april: Aidan spreekt de wens uit om een wereldreis te maken. 13 april: Aidan brengt Miss Carly Kagan ter sprake. Hun symbiotisch aandoende relatie blijft een frequent onderwerp van gesprek.’ Hij schiet in de lach. ‘Hij begreep daar nooit iets van. Ik dacht altijd dat hij zelf nooit verliefd was geweest.’
Ik voel me alsof Pyke langzaam een enorme bloedblaar opensnijdt, die snel leegloopt.
‘Zie je,’ reageer ik, ‘hij begreep je niet. Waarom verwacht je dan dat hij iets zinnigs over je zal zeggen?’
‘Hij heeft toch ook dat onderzoek gedaan?’ Aidan bladert verder. ‘Kijk, hier. Op de MMPI2 levert cliënt een valide profiel, waarbij het beeld van een roep om hulp naar voren komt, en een mogelijk tekortschietende afweer. Tussen haakjes: lage ik-sterkte. In de tweede helft heeft hij meer ongewone antwoorden gegeven.’ De tekst sleurt hem weer mee en hij zegt niks meer. Ik bijt op een nagel. Hij kijkt me aan, kijkt naar mijn benen, twijfelt maar leest verder. Ik kijk mee over zijn schouder. Het is alsof ik een gruwelijk ongeluk gadesla waarvan ik desondanks niet weg kan kijken. Ik ben benieuwd hoe Pyke er achter is gekomen en wat hij precies weet. Het duurt even voordat Aidan bij de pagina in kwestie is aangekomen – eerst komen er bladzijden vol over scores en indicaties en dan staat het er ineens, onderaan in een hoekje alsof het niet belangrijk is.

Hoewel de scores op schizotypische activiteit laag zijn, is een grote bron van zorgen cliënt’s vasthoudende geloof in zijn imaginaire vriendin, Carly Kagan. Hij praat over haar alsof ze echt bestaat en slechts uit aanvullende gesprekken met de moeder is gebleken dat dit niet het geval is. Het is verrassend dat iemand met zijn IQ en verder vrij normaal functioneren nog op 16-jarige leeftijd een imaginaire compagnon heeft en zelfs verliefd op haar lijkt te zijn, terwijl zij alleen bestaat bij de gratie van zijn eigen wensen en verwachtingen. Advies: uit de vaste omgeving halen en intensief behandelen. Directe confrontatie moet ten alle tijden vermeden worden: dit zal het geloof in Carly Kagan alleen versterken of een te grote shockreactie teweeg brengen.

Aidan’s blik blijft gefixeerd op de pagina, ook als hij het allang gelezen moet hebben. Na een tijdje heft hij zijn hoofd op, maar ook al kijkt hij naar me, hij zal me nooit meer echt zien.
‘Carly?’
‘Niet weggaan!’ Ik strek mijn hand naar hem uit, maar op het moment dat ik hem aanraak rukt hij zijn hoofd naar achteren.
Hij staat op, schuift de papieren slordig bij elkaar en beent de kamer uit. Ik loop achter hem aan.
‘Dit kun je niet maken!’ roep ik. ‘Ik heb twaalf jaar van mijn leven doorgebracht in deze baan, in dit vervallen huis, met elke vrijdag dezelfde godvergeten kroeg en met een accountant die op een vis lijkt, omdat jij niet origineel genoeg was om iets anders voor mij te bedenken. Omdat je ego het nodig had dat ik op je wachtte en niet veranderde.’
Aidan reageert niet meer op me. Hij is net als alle anderen geworden, net als John, Genie, de receptioniste. De stapel papier legt hij op de balie.
‘Bedankt,’ zegt hij mat.
Als hij door de hal naar de glazen deuren toe loopt, glijden ze voor hem open. Hij loopt er doorheen, draait zich om en heft zijn hand op naar mij.
‘Wacht!’roept hij. ‘Blijf daar!’
Ik sta stil. De deuren zoemen dicht. Dan wenkt Aidan me en doe ik een stap naar voren. De deuren komen niet in beweging, omdat de sensoren me niet detecteren. Aidan staat buiten in de septemberzon. In het licht dansen pluisjes. Ik doe nog een stap, en nog één. Met mijn neus tegen het glas kijk ik hem na.

Pluisjes © Linda Mulders

Verder naar Beoordeling Gerard Klappers / Linda Mulders

Terug naar Prozawedstrijd 2010

Terug naar Prozawedstrijd

Terug naar Homepage