Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2009  Marinka Vredegoor  Beoordeling Klappers

Lucís laatste lied - Marinka Vredegoor

Natuurlijk had hij fouten gemaakt. Kom op zeg, zijn lei was verre van schoon. Het had hem ook tot ver voorbij zijn veertigste geduurd voordat hij inzag dat zijn ziekelijke obsessie voor te jonge sekspartners van hetzelfde geslacht ook niet waren wat hij ervan had gehoopt. En het had even zolang geduurd voordat hij opeens op een mislukte dinsdagochtend, nog half-dronken van de nacht ervoor, tegen de vrouw opliep die zijn leven op zijn kop zou zetten. Niet eens een echt bloedmooie vrouw, gewoon, een klein iel ding met te lang kort haar. Maar wel eentje die hem nam zoals hij was, en die tegen hem in durfde te gaan als dat nodig was.
Hij was goed op weg om zijn ouders met terugwerkende kracht alsnog trots te maken, zo met Margje aan zijn zij en net weer de derde koter in het trouwboekje bijgeschreven. Alleen nog een vak. Margje werkte zich een slag in de rondte terwijl hij wat op notoire podiumpjes op zijn gitaar stond te eikelen en teksten tegen de microfoon brulde die hij met een dronken kop op zijn arm had gekliederd. Het moest maar eens afgelopen zijn met het handjevol mensen te beschouwen als fans. Het waren geen fans, het waren de mensen die per ongeluk tijdens het stappen de verkeerde ingang kozen en niet weg durfden lopen bij die ouwe zak op het podium omdat het zo zou opvallen. Omdat ze de enigen waren. En dus bestond zijn aanhang uit sympathiepubliek. Mensen die het zo zielig vonden voor die bejaarde hippie met die net-niet zuivere gitaar dat ze hem niet durfden te zeggen dat hij allang niet meer cool was. Of hip. Of hoe dat ook heette tegenwoordig. Wist hij veel. Op zijn leeftijd werden de meeste mannen opa. Hij niet. Hij werd papa, voor de derde keer.
"Je moet geen whisky meer drinken, Luc," hoorde hij opeens dwars door zijn overpeinzingen heen. Hij kon het niet helemaal plaatsen, die gedachte. Vooral omdat het niet iets was dat hij zelf zou kunnen denken. Hij keek op en zag een dikke witte wolk heen en weer wiegend door de kamer gaan en hij vroeg zich af of hij meer dan ťťn glas had gehad. "Luc man, jongen, een zoon! Goed, man!"
Zijn broer. Broertje Rob. Vier jaar jonger en zo vrijgezel als de neten. Jolig en uitgelaten naast hem op de bank terwijl de witte wolk met zulk politiek correct enthousiasme tegen de knetterblauwe wieg stond te raaskallen dat het wel de kraamhulp moest zijn.
Godsamme. Hij moest echt van ver komen vandaag voor hij weer bij zinnen was. Een black-out van een half glas whisky en de geboorte van een zoon. Hij werd echt oud. "Ja," hoorde hij zichzelf zeggen, "een zoon ja." Rob porde hem een vuist tussen de ribben en beukte zijn andere hand tegen zijn schouder. "Een kind! God, jezus Luc. Hoe heet-ie?"
Water. Hij wilde water hebben. Keuken. Kraan. Zijn hersenen werkten niet mee vandaag.

"Zo godallemachtig, daar is-ie weer. Heej, Luc, hoor je me?" Luid en duidelijk. "Haha, ja, de eerste zoon, dat is even schrikken. Gaat-ie weer?" Ja, het ging weer. Ze hoefden niet te weten dat hij van het weekend ook al onderuit was gegaan, want het ging nu even niet om hem maar om Margje die toch maar mooi haar Ė hun Ė derde kindje op de wereld had gezet. En om zijn zoon. GabriŽl. Dat hij bij de neuroloog was geweest toen zij een dagje was wezen stappen met haar beste vriendin en de kinderen bij oma waren, dat hoefde niemand nog te weten. Ook niet dat hij dood zou gaan.
De neuroloog had gezegd dat het gezwel dat op een niet te opereren plek in zijn hoofd zat een tijdbom was die morgen, overmorgen of over tien jaar kon ontploffen. Hij had nou een aantal onderzoeken achter de rug, en achter de rug van Margje om, en niets wees erop dat het aan het groeien was. Zolang hij zijn hoofdpijntjes en flauwtes nog kon toewijzen aan te snel opstaan, de geboorte van zijn eerste zoon of de hitte was er nog niets om zich zorgen over te maken.
Natuurlijk, er zou een dag komen dat Margje van haar roze wolk afstapte en hem in al zijn figuurlijke naaktheid voor zich zou zien staan, met dat ellendige misvormde klompje cellen in zijn hoofd als weinig subtiele blikvanger, maar zolang hij die dag nog kon uitstellen en kon meeliften op de wolk vond hij alles prima. Als de buitenkant maar bierbuikvadsig en aandoenlijk buitenproportioneel bleef. Nu wilde hij alleen maar aan zijn hoofd en hij was blij dat niemand hem tegenhield toen hij de trap opsjokte en de deur van de slaapkamer dichttrok.
De plotselinge stilte leek Luc bijna oorverdovend. Het huis waar het gezinnetje woonde was een oude boerderij, maar die ze met het oog op een beter milieu zo grondig hadden geÔsoleerd dat er nauwelijks geluid doordrong in de slaapkamer. Hij sloot zijn ogen en probeerde een beeld te vormen met de geluiden die hij nu hoorde. Hij probeerde in gedachten op te staan en naar de keuken te lopen. Allerlei gedachten schoten door hem heen. Moest hij nou nog braille gaan leren? Had dat nog zin, als hij misschien nog een jaar te leven had? Kon hij blind gitaar spelen? Moest er een hond komen, zo'n gigantische blonde retriever met een wit hesje en een frame die hem opnieuw zou leren lopen? Zou hij zich schamen om zijn blinde rotkop, als hij zijn kinderen van school zou halen? Zouden zŪj zich schamen voor hun pa met die sombere zonnebril en die tiktakstok?
Er speelden zoveel gedachten door zijn hoofd in zo'n kleine fractie van een seconde, dat Luc zijn emoties niet meer in de hand had en voor het eerst sinds de diagnose, inmiddels al twee maanden geleden, huilde. Synchroon met het kleine jochie dat beneden onwetend lag te krijsen, krijste zijn pa een verdieping hoger even hard mee. Hij wilde niet blind worden, hij wilde niet afhankelijk worden, hij wilde geen hond en hij wilde niet dood, maar alles waar hij zo ontzettend bang voor was, kon binnen een jaar al waarheid zijn. Volgend jaar deze tijd kon hij al dood en begraven zijn, en hoe meer hij dacht aan dat onvermijdelijke scenario, hoe harder de tranen over zijn gezicht tsunamieden.
Luc drukte zijn gezicht in het kussen om rustig te worden, maar de plotselinge en absolute duisternis maakte zijn wanhopige toestand nog veel dramatischer en realistischer. Dit was precies wat hem te wachten stond, verstikkende duisternis en wanhoop, en dat moest hij allemaal maar in zijn eentje zien te dragen omdat hij dit Margje niet wilde aandoen, niet nu, niet met GabriŽl erbij.
Als een klein kind lag hij nu op zijn buik, met zijn gezicht in het kussen en zijn handen tot knuisten geknepen onder het kussen. Zijn voeten stonden schrap tegen de achterkant van het bed en elke spier in zijn lichaam was gespannen, klaar om getroost te worden door handen die beneden een jochie van een paar uur aan het troosten waren. Handen die niet wisten dat ze boven nodig waren. En ondertussen huilde Luc alle tranen van acht weken verdrongen ellende er in ťťn guts uit.
En opeens was Margje daar. Hij had niet gemerkt dat ze binnen was gekomen, maar opeens lagen die handen waar hij ze nodig had, op zijn rug, op zijn piekerige lange haar, langs zijn armen, en toen hij zich had omgedraaid, lagen haar handen op zijn handen en keek ze hem aan, stil en rustig, troostend, terwijl in een andere dimensie de kraamhulp tegen GabriŽl kirde en Nora en Bella een standje gaf omdat ze tegen elkaar schreeuwden.
Even hield Luc stil, hapte naar adem en slikte, maar de tranen waren nog lang niet op. Margje drukte zijn verwaterde gezicht tegen haar schouder en hij liet zich gaan zoals hij daarna nooit meer tegen haar aan zou huilen, omdat hij er niet meer was. En hoewel elke vezel in haar lichaam mee wilde huilen, zonder te weten waarom, hoewel ze alleen maar zijn hoofd in haar handen wilde nemen om te vragen wat er toch in godsnaam aan de hand was, hoewel ze wist dat dit niets met de geboorte van hun zoon te maken had, toch zweeg Margje en stelde ze niet de vraag waarop ze het antwoord nog niet wilde weten. Dit was een verdriet dat ze niet kende en dit was een Luc die ze niet kende. Het was voor beide partners een vreemde situatie.
Ze streelde zijn haar, suste hem, wiegde met zijn hoofd nog altijd tegen haar schouder gedrukt zachtjes heen en weer zoals ze GabriŽl en Nora en Bella wiegde, net zolang totdat hij alleen nog maar zuchtte en haar aankeek terwijl zij zijn handen in die van haar nam. "Ik ga dood, Marg," stotterde hij.
Haar blik veranderde niet en ze wendde haar hoofd niet af, ze bleef stil. Alleen in haar handen had hij een stroomstootje gevoeld, heel licht en heel subtiel, maar nu wist hij: Margje weet het, nu hoef ik dat allemaal niet meer op te kroppen en nu kan ik het delen met de vrouw die van mij houdt. En hij zag hoe ze langzaam ontdooide, hoe nu bij haar een traan in haar ogen groeide maar niet het pad naar haar kin koos. "Ik hou van je, Lucas in 't Hout. Wat er ook gebeurt, ik hou van je." Ze trok zich aan zijn handen op naar voren, kuste hem op zijn voorhoofd en streelde hem door zijn haren. Toen klom ze van het bed af, liep naar de deur en hield de deurklink in haar handen. "Vandaag is het GabriŽldag. Morgen wil ik alles weten wat jij weet. Ik wil net zo bang zijn als jij bent. Ik wil jouw angst begrijpen. Het scenario doorgronden. Maar vandaag is voor GabriŽl."
Toen draaide ze zich om en liep ze naar beneden. Luc bleef nog even op de rand van het bed zitten, met zijn handen losjes op zijn bovenbenen, geschrokken dat hij Margje veel eerder dan hij wilde deelgenoot had gemaakt van zijn eigen ellende. Nooit meer zou zij nu nog haar GabriŽl in de armen kunnen nemen zonder onmiddellijk te worden geconfronteerd met de angst, en zelfs in de wetenschap, dat hij straks vaderloos zou zijn. Vanaf deze minuut zou zij zich bij alles wat ze met de kinderen deed realiseren dat er heel snel een moment zou komen dat ze dat alleen zou doen. Dat ze er alleen voor zou staan. En hij wist dat dat zijn schuld was en het schuldgevoel dat wegrotte tegen zijn maagwand aan, dat hem misselijk maakte bij elke gedachte aan de bom in zijn hoofd, werd groter en explosiever.
Nadat hij in de badkamer zijn hoofd met zijn lange, slordige haar onder de kraan had gedrukt, liep hij weer naar beneden. Elke stap die hij op de traptreden zette, voelde als een stap naar de wereld die zich achter de gangdeur afspeelde, vol onvolprezen kindervreugd en geveinsd moedergeluk. Een wereld waarvoor hij zich wilde afsluiten, die hij achter zich wilde laten. Het wilde oermens in hem wilde vluchten, achter een hoop groenbemoste keien als een hunebed in elkaar zakken en langzaam stervend ťťn worden met Moeder Aarde. En als hij niet met Margje was getrouwd, als Nora en Bella niet als liefhebbende zusjes om hun broertje GabriŽl heen dartelden, als al die mensen niet bestonden, dan was hij gegaan. Maar de vaderplicht riep.

Het gevoel waarmee Luc de volgende ochtend wakker werd, was een combinatie tussen rauw verdriet, bonkende koppijn en complete angst omdat hij naast de vrouw lag aan wie hij vandaag alles moest opbiechten wat hij twee maanden lang had verzwegen. Maar de angst bleek ongegrond; hij kon haar alles vertellen omdat hij wist dat zij van hem hield. Uiteindelijk had Margje in eerste instantie alleen maar naar hem gekeken, haar blik een mengeling tussen onbegrip, een poging om te begrijpen dat hij dood zou gaan, en woede, angst, pijn. Medelijden zelfs. Toen hij eindelijk klaar was, of haar althans alles had verteld wat hij nodig achtte, hield ze zijn handen vast zoals ze de avond daarvoor ook had gedaan en wat ze in de toekomst nog veel vaker zou doen omdat ze merkte dat hij er rustig van werd. Haar ogen waren nat van nog niet gehuilde tranen.
"Wil je me voortaan gewoon alles eerlijk vertellen, niks voor me achterhouden? Ik voel me nu zoÖ zo nutteloos, zo'n outsider. Jezus Luc. Alsof ik in het laatste hoofdstuk van een boek stap. Waarom doe je jezelf dat toch steeds aan, dat je alles alleen wilt doen? Waarom geloof je niet dat ik echt in voor- ťn tegenspoed met je ben getrouwd?" Ze verweet hem niets, haar stem was niet doorspekt met verwijten en haat, alleen maar met de wanhoop dat ze een deel van het verhaal had gemist.

De dagen nadat hij zijn verhaal had verteld, en Margje had toegelaten in zijn wereld, voelde hij een vreemd soort rust over zich heenkomen die echter in schril contrast stond met de werkelijkheid. Tijdens een van zijn laatste optredens, waar broertje Rob zoals zo vaak het geluid regelde, was hij keihard met zijn ziekte geconfronteerd toen hij in een pauze tussen twee even slechte nummers duizelig was geworden en was flauwgevallen.
Een uur later lag hij misselijk, onwetend hoe en wat er was gebeurd, op zijn eigen bed, met een kloppende hoofdpijn. "Hey," hoorde hij naast zich, en daar zat Rob, met een intens meelevende blik en zijn handen tegen zijn dijbenen aangedrukt, tegen de houten zitting van de stoel. "Waarom heb je nou niks verteld, Luc?" Ook Rob klonk niet alsof hij Luc een verwijt maakte, en het klonk misschien niet eens als een vraag, hoewel Luc wel weggemoffelde tranen hoorde.
Hij draaide zijn hoofd naar het raam, weg van Rob, maar het licht was te fel en hij sloot zijn ogen. Naast hem hoorde hij een deur open gaan en hij rook het vluchtige parfum van babydoekjes en wasverzachter dat Margje sinds de geboorte van GabriŽl omhulde. "Hij is wakker," hoorde hij Rob fluisteren. Er werd een stoel naar achter geschoven en hij wist dat het Rob was, die was opgestaan om plaats te maken voor Margje. Wisseling van de wacht, zoals hij verwachtte dat het later in het ziekenhuis, als hij zich een weg naar zijn dood rochelde, ook zou gaan. Hij was te moe om zijn ogen te openen en als hij dat wel had gedaan, had hij alleen maar de roodbehuilde ogen van zijn eega gezien. Hij wilde alleen nog maar slapen.

Er ging een nacht voorbij en hij voelde zijn hoofdpijn en misselijkheid wegzakken. Een dag kwam en ging, een week ging geruisloos voorbij en al gauw zat ook deze maand erop. Behalve dat hij twee mensen die hij intens liefhad zijn geheim had verteld, was er niet veel veranderd in het leven van Luc in 't Hout, alsof hij een van de velen was die zijn leven leefde zonder angst of wanhoop. Het voelde ook helemaal niet meer alsof hij ernstig ziek was; na die instorting tijdens zijn optreden was hij niet meer flauwgevallen, had hij geen ernstige hoofdpijn meer gehad en hield hij keurig elke avond zijn diner binnen.

En zo gingen er een paar weken voorbij waarin Luc zich had voorgenomen intens gelukkig te worden van alles wat een mens maar gelukkig kon maken. Er was genoeg voorhanden; Nora leerde schrijven en lezen en wilde hem elk boek voorlezen dat ze met haar moeder van de bibliotheek had gehaald. Bella kon opeens binnen de lijntjes kleuren en GabriŽl groeide zo voorspoedig dat hij al gauw in geen enkel door de kraamvisite overhandigd luierpakje meer paste. Buiten was de lentegod over al het groen gehuppeld zodat er nou elke dag een nieuwe plant, een nieuwe struik of een nieuwe boom tot leven kwam.
Nog nooit eerder had Luc zo bewust van het leven om zich heen genoten en misschien juist daarom was het zo wrang dat hij zich op een heel gewone zondagmorgen in paniek realiseerde dat hij niet kon zien dat Margje naast hem lag. Nog nooit eerder had hij badend in het zweet getwijfeld of hij zijn ogen wel of niet open had, nog nooit eerder had hij zo aan de gewoonste zaak ter wereld getwijfeld. 'Zien' was opeens niet meer vanzelfsprekend en in een weergaloze paniekaanval moest hij tot de conclusie komen dat de tumor zijn oogzenuw voorgoed had bekneld. En met die gedachte wist hij ook opeens dat de tumor gegroeid moest zijn.
Tot zijn grote verbazing was Luc ook ineens zijn tijdsbesef kwijt. Nu hij niet meer aan de hoeveelheid licht kon zien of het ochtend of middag was, nu hij tevergeefs zijn hoofd uit gewoonte naar de wekkerradio naast hem draaide zonder te zien hoe laat het was, realiseerde hij zich dat hij het begrip tijd altijd voor lief had genomen. In het hele huis klonken de geluiden van ontwakende kinderen, van een wereld die wakker werd, en met elk nieuw geluid zakte Luc dieper weg in het besef dat hij eigenlijk alles voor lief had genomen. Elke klank, elke geur, elke beweging die hij zogenaamd bewust had waargenomen had hij waargenomen zonder zich te realiseren dat hij op een dag niet meer die geluiden, geuren en bewegingen aan zicht kon koppelen.
Die dag was vandaag en zijn angst snoerde hem de keel. Hij wilde Margje roepen, haar vertellen wat er was gebeurd maar hij kreeg het geluid zijn strot niet uit. Een benauwd gevoel maakte zich van hem meester, maakte hem kortademig, liet hem oppervlakkig naar lucht snakken, net zo lang tot hij de handen van Margje voelde die zijn armen vastgrepen en haar stem hoorde die vroeg wat er was. Ze klonk als een jonge vrouw die probeerde te doen alsof ze niet bang was. Ze moest wel; Luc had zijn adem hervonden en schoot diep in zijn paniekaanval. Zij belde zijn arts omdat ze niet wist wat ze in godsnaam zelf voor hem kon betekenen. Maar de arts kon alleen pijn verlichten. Luc was uitbehandeld.

De dagen die volgden kenden een vast ritme, een cadans van wakker worden, pijn bestrijden, broertje Rob ontvangen en slapen. Terwijl Margje alle zeilen bijzette om haar kinderen een goed leven te geven, lag Luc boven in bed elke dag een beetje te sterven. Hij was moe, uitgeput door de verlammende angst om dood te gaan en ten slotte het doodgaan zelf. Zijn volledig zichtloze bestaan boeide hem nauwelijks meer. Hij was aan de geluiden, de geuren en bewegingen gewend geraakt; hij was een putjesschepper die de strontlucht niet meer rook uit pure gewenning. Ook zijn hoofdpijn was een bekende geworden, pijn maakte deel uit van zijn leven, maar hij kon er tegen. Omdat hij wist dat het straks allemaal voorbij zou zijn.
Hij werd rustiger dan hij ooit in zijn hele leven was geweest, behalve op die momenten dat hij zich met een schok realiseerde dat Margje straks met drie kinderen achter zou blijven. Maar zelfs dat was op den duur geen reden meer om door te blijven vechten. Hij was zo ontzettend moe, hij was er zo klaar mee, met leven. Alles wat er in huis gebeurde, klonk en voelde alsof hij vergeten was ergens de televisie uit te zetten. Het was niet meer iets waar hij zich druk over hoefde te maken.
Het verbaasde hem hoe egoÔstisch hij in die laatste paar dagen was geworden en het verbaasde hem nog meer, dat het můcht. Niemand protesteerde. Als een hoogzwangere vrouw die op het punt stond haar kind te baren werd hij met rust gelaten. Ze stonden hem toe in een hoekje weg te kruipen om als een oud en versleten beest te sterven. Precies zoals hij dat meteen na de diagnose had gehoopt.
Er werd wacht gehouden aan zijn bed. Soms zat er een vrouw die Margje moest zijn, soms zat er een man die zijn broertje Rob was en altijd was er die oude, vriendelijke man met dat wilde lange blonde haar Ė Luc's vader - zwijgend als altijd, rustig in een hoek, wachtend tot Luc met hem mee zou gaan. Het was Luc's nieuwe waarheid geworden dat zijn overleden vader op hem stond te wachten, die hem zijn hoofdpijn afnam en die de blindheid deed vergeten. Zijn overleden vader gaf hem nieuw zicht. En Luc wilde alleen maar heel graag mee. Hij was zijn zieke, zware lichaam meer dan zat en wilde vrij zijn. Vrij. Weg.

De begrafenis was kort, mooi en stil. Luc had alles gezien vanaf zijn nieuwe dimensie. De tranen van Margje, de schouder van Rob, het kleine vingertje van zijn oudste dochter tegen de gouden handgreep van zijn kist. De muzikanten van zijn oude bandje die een plektrum in zijn kist gooiden. En hij glimlachte omdat hij eindelijk weer kon zien. En hij zag dat het weer goed zou worden. Hij zag alles. Hij was weer gelukkig.

Lucís laatste lied © Marinka Vredegoor

Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2009  Marinka Vredegoor  Beoordeling Klappers