Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2014  Mariska Morkovids

Emma? - Mariska Morkovids

Jean opende zijn ogen. Naast hem zat een blonde, langharige vrouw op een stoel. Ze keek hem een ogenblik indringend aan en stond op.
‘Mijn man wordt wakker,’ hoorde hij haar in de deuropening zeggen.
Hij betastte het verband om zijn hoofd en keek suf om zich heen. Hij begreep dat hij in het ziekenhuis lag. Zijn bed was het enige in de kamer. De vrouw kwam terug binnen en ging weer zitten.
‘Emma?’ prevelde hij. ‘Ben jij het, Emma?’
Ze knikte met een zorgelijk gezicht. ‘Ik hoop dat je daar niet aan twijfelt.’
Jean wendde zijn ogen van haar af. Misschien heb ik tijd nodig om alles weer helder te zien, dacht hij. Het verband om mijn hoofd zegt me dat ik er erg aan toe ben. 
‘De dokter komt zo,’ zei ze. ‘Herinner je je wat er gebeurd is?’
‘Ik denk het. We zijn gebotst. We waren op weg naar de notaris… in verband met onze scheiding. Je had het opeens te warm in de auto… je vroeg me te helpen met je ritssluiting.’
‘Ja, en verder?’
‘Ik stak mijn hand uit en je schreeuwde opeens ‘kijk uit!’ Het beeld van een brugpeiler is het laatste wat ik me herinner.’
‘Zo is het inderdaad gegaan. Ik knalde met mijn hoofd tegen de voorruit. Pas na enkele seconden, of waren het minuten, realiseerde ik me wat er gebeurd was. Je lag met je hoofd en je schouder op mijn schoot. Ik raakte gelukkig niet in paniek en belde de hulpdiensten.’
‘Hoe lang lig ik hier al? Ik heb er geen idee van.’
‘Schrik niet. Je hebt een hele week in coma gelegen. De dokter had er goede hoop op dat je zou ontwaken. Je milt was gescheurd. Ze hebben hem moeten wegnemen, een riskante operatie voor iemand met twee hartaanvallen achter de rug.’
‘Een hele week… het is haast niet te geloven.’ 
Ze duwde haar loshangende haren naar achteren en toonde hem de licht, geel-paarse buil op haar slaap. ‘De buil is grotendeels al weg. Aan de kleur kun je zien dat hij niet zo recent meer is.’
Dat lijkt me overtuigend, dacht hij, maar hoe langer ik met haar praat, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat ze mijn vrouw niet is.
‘Dus ik lig hier al een week… en wat met de Ferrari? Waarom ben je bang dat ik je niet meer zou herkennen?’
‘Onze auto is total loss, dat is bijzaak. Maar ik ben inderdaad bang. Sommige mensen weten zelfs lange tijd niet meer wie ze zijn, nadat ze uit een coma ontwaken.’ 
Om John’s mond verscheen een zweem van een glimlach. ‘Wees er maar gerust op. Ik ben Jean Schillemans, Laarstraat 44, Antwerpen. Geboren op 20… neen, op 12-4-52. En heeft de dokter gezegd hoelang ik hier moet blijven?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Hij zei dat een patiënt die uit coma ontwaakt minstens twee weken in observatie moet blijven.’  
‘Daar is dan niets aan te doen, maar een week lig ik hier al zeg je. Je hebt dus een hele week kunnen nadenken over ons, over onze relatie.’
Nu ben ik benieuwd wat ze gaat zeggen, dacht hij.
‘Ik heb nagedacht, veel nagedacht. Je hebt me bedrogen. Ik maak er geen geheim van dat ik niets meer voor je voel. Je bent te ver gegaan.’
Dat kan ze alleen van Emma weten.
‘Maar waarom heb je dan de hele tijd naast mijn bed gezeten als je niets meer voor me voelt? Of is het toeval dat je hier nu bent?’
‘Nee, geen toeval. Ik heb elke dag meerdere uren in deze kamer gewaakt, zelfs halve verlofdagen voor genomen. Ik voel me mede verantwoordelijk voor dat ongeluk.’
Alles van haar komt zo onwezenlijk over, dacht hij: haar stem, haar manier van bewegen, en in mindere mate haar gezicht en haardracht. Zij kan Emma niet zijn.
‘En, wat hebben ze gezegd over die wratten in je liesstreek?’ vroeg hij, ‘toch niets kwaadaardigs hoop ik?’
Hij zag dat ze slikte.
‘Die wratten, zeg je? Wel heu... dat was in orde. Ik waardeer het dat je ernaar vraagt.’
Het bewijs is geleverd, dacht hij. Emma had geen wratten. Ik speel het spel verder mee. Misschien kom ik dan te weten waar de echte Emma wel is en waarom deze vrouw zich voor haar uitgeeft. Ik heb alle reden om me zorgen te maken. Er is iets ergs met Emma gebeurd. 
‘Zeg me eerlijk,’ zei hij, ‘ben je blij dat ik nog leef? Je zou een rijke weduwe zijn.’
‘Zeg zoiets niet. Denk niet dat ik je dood wil. Ik kan alleen niet met je leven.’ 
Zou Emma dat op zo’n manier zeggen? Ik denk het niet.
Ze pakte een handgrote mobiel met grote reuzentoetsen uit haar tas.
‘Wat is dat voor een lachwekkend ding?’ vroeg hij.
‘Waarom lachwekkend? Je had je mobiel bij je, maar die is spoorloos. In de auto lag hij niet en in het ziekenhuis weet men ook van niets. Je wilde er toch al lang een nieuwe, een met wat grotere toetsen zonder al die opties die je toch nooit gebruikte.’
‘Goed dan, maar het lijkt er wel een voor kleuters of verstandelijk gehandicapten.’
‘Spot niet, ik kocht hem om je te helpen. Ik heb enkele belangrijke nummers ingevoerd die je makkelijk kunt oproepen. Als je het getal tien intoetst, kom je bij mij terecht. Elf is het nummer van Leen, makkelijker kan niet. Ze vraagt elke dag naar je. Bel haar op in de namiddag, maar laat mij eerst bellen, anders schrikt ze zich rot… en ik hoor dat dokter Verbist eraan komt.’
Ze stond op van haar stoel, ging de gang op en trok de deur achter haar dicht.
‘Dokter,’ fluisterde ze, ‘hij is wakker, maar ik heb de indruk dat hij niet gelooft dat ik zijn vrouw ben. Ik heb niets willen forceren om hem van zijn ongelijk te overtuigen omdat u me daarvoor gewaarschuwd hebt.’
‘Zo hoort het, niets forceren, anders zou hij wel eens aan alles beginnen te twijfelen. Een angstaanval is dan niet denkbeeldig. Voor een hartpatiënt als hij kan dat noodlottig zijn. Dus hij herkent u niet. Als het echt om gezichtsherkenningswanen gaat, staan we voor een syndroom dat een langdurige behandeling vraagt met medicijnen en psychotherapie. In zijn dossier las ik dat zijn geestelijke gezondheid al vele dieptepunten heeft gekend.’
‘Dat klopt. Mijn man is een tijdje opgenomen geweest. Men sprak van paranoďde schizofrenie, maar dat bleek gelukkig niet te zijn. Hij vertoont wel suďcidaal gedrag als er iets goed mis gaat.’
‘Dat maakt het er allemaal niet makkelijker op, mevrouw.’
‘Dat begrijp ik, en als ik me niet vergis is de prognose voor lijders aan het syndroom van Capgras zo al niet goed.’
‘Het is niet hopeloos, maar… u kent de naam? Mijn complimenten. Ik ben er zeker van dat sommige van mijn assistenten er nog niet over gehoord hebben.’
Ze schrok en wiegelde met haar schouders. ‘Wel, ik-’
‘Telefoon voor u dokter,’ zei een toegesnelde verpleegster.
‘Excuseert u me mevrouw, men roept me. Ik ga dat morgen met de collega’s verder bekijken.’
 
Vanaf zijn bed keek Jean naar een egaal grijze lucht. Hij ervoer de stilte als iets dreigends: geen geluid van buitenaf en geen stem of voetstap op de gang.
Emma’s stem klinkt niet helemaal zoals ik die ken, dacht hij. En waar komen die vreemde trekken in haar gezicht vandaan? Maar als zij Emma niet is, waar is Emma dan? Zijn hart sloeg sneller. Misschien is ze wel door dat mens en haar kompanen ontvoerd, of zelfs omgebracht? Verschrikt ging hij rechtop zitten. Wil men haar dood verhullen om me te behoeden voor een derde en fatale hartaanval? Of is die vrouw getuige geweest van ons ongeval? En nu wil ze de plaats innemen van iemand die getrouwd is met een man die zich een Ferrari kan permitteren. 
Hij greep het touwtje vast dat achter hem aan de muur hing en gaf er een ruk aan. Ik word gek, dacht hij. Ik moet die dokter spreken.
 
‘U hebt er goed aan gedaan uw hart uit te storten, mijnheer Schillemans,’ zei dokter Verbist na afloop van het gesprek. ‘Ik weet nu beter hoe ik tegen u moet aankijken. Blijf rustig, ik heb goed nieuws, maar ook slecht nieuws. Het een hangt samen met het ander.’
‘Begin dan maar met het goede nieuws.’
‘Wel, wees er maar van overtuigd dat die vrouw Emma Schillemans is. Het slechte nieuws is dat u lijdt aan een aandoening waardoor u haar niet herkent. Het is een aandoening met ingrijpende, relationele consequenties.’
‘Ik lijd dus aan een aandoening… en die heeft natuurlijk een naam?’
‘Inderdaad. U lijdt aan Capgraswaan.’
‘De wat? De grapjaswaan? Een gekke naam voor wellicht een al even gekke ziekte.’
‘Capgraswaan, genoemd naar de Franse psychiater Jean Marie Joseph Capgras. Het is een aandoening die verschillende oorzaken kan hebben. In uw geval is dat een lichte beschadiging van de frontale hersenkwab.’ 
‘De Capgraswaan verdorie, en hoe zeker bent u? Dokters kunnen zich vergissen.’
Dat hij maar niet denkt me iets te kunnen wijsmaken. En hoe kan hij nu zeker weten of die vrouw Emma is? Toch niet omdat zij zegt dat te zijn.
‘Capgraswaan kan zich op vele manieren manifesteren, mijnheer Schillemans. Als ik hoor wat uw vrouw zegt, denk ik aan prosopagnosie. Het is een vorm van visuele agnosie, waardoor u sommigen hun gezicht niet meer herkent.’
‘U bedoelt dat ik niemand meer ga herkennen? Niet dat ik zoveel mensen ken, integendeel, maar het zou knap lastig zijn.’
‘Gelukkig gaat het meestal om maar één persoon. Bijna altijd is het een persoon met wie de patiënt de nauwste band heeft, zoals zijn of haar partner.’
‘Met alle respect dokter, maar ik ken Emma. Ik zeg u dat zij Emma niet is. Ik vroeg die vrouw naar haar wratten. Ze zei dat alles in orde was. Maar mijn Emma heeft geen wratten, nooit gehad.’ 
De dokter zuchtte. ‘Ik had uw vrouw gevraagd om uw geest de nodige tijd te geven om alles op een rijtje te zetten. Dus geen confrontaties of weerleggingen om u nu al opnieuw in de realiteit te loodsen. Zulke pogingen zouden u alleen maar desoriënteren.’
‘Luister dokter, ik ben een vermogend man. Ik heb bij dit alles een heel slecht gevoel, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik verkeer in een zwakke positie. Wie me wil pakken zal het zeker nu doen. Om te beginnen bel ik straks naar Leen, de zus van Emma. Ze is een van de weinige mensen die ik ken en vertrouw. Ze zal me uitsluitsel kunnen geven.’ 
‘Dat is het proberen waard, mijnheer Schillemans, maar ik vrees dat het is zoals bij een hypochonder: tien specialisten mogen verklaren dat hij gezond is, het zal hem niet geruststellen.’
Dat zal nog moeten blijken, dacht Jean. Jammer dat Leen zo ver weg woont en als bedrijfsleidster een druk bestaan leidt. Ik val haar niet graag lastig, zeker niet met zulke rare dingen.
 
Jean keek vanaf zijn bed naar de klok. Bijna zeven uur. In gedachten overliep hij het telefoongesprek dat hij rond het middaguur met zijn schoonzus Leen voerde: 
‘Ik was zo blij toen Emma me belde en vertelde dat je ontwaakt was,’ zei ze.
‘Dat zou wederzijds zijn Leen, maar heb je Emma al ontmoet sinds ons ongeval?’
‘Ontmoet niet. Sinds ik in het buitenland woon, zie ik haar niet vaak meer, maar we bellen elkaar heel regelmatig. En nu met dat ongeval zelfs meerdere keren per dag. Meestal gaat het dan over jou, maar luister-’
‘En heb je niets gemerkt aan haar? Iets met haar stem, of de manier waarop ze iets zegt?’
‘Nee, ze zegt dat ze van die buil nog veel hoofdpijn heeft, maar er is me niets speciaals opgevallen. Waarom?’
‘Laat maar, misschien kom ik er op terug. Ik heb een klein verzoek. Om zeven uur ’s avonds is het elke dag bezoekuur. Ik denk dat het me goed zou doen om je samen met Emma hier een keer te zien binnenkomen.’
‘Nou, dan heb ik wel heel goed nieuws. Ik wilde het meteen zeggen, maar je had me onderbroken. Frans en ik hebben verlof. Ons bedrijf is veertien dagen gesloten. We gaan een weekje bij jou thuis logeren. Binnen een uurtje vertrekken we al. Emma, Frans en ik hadden al afgesproken om je vanavond samen te bezoeken. Frans haat ziekenhuizen, maar hij heeft zelf voorgesteld om mee naar binnen te gaan.’
Jean keek opnieuw op de klok. Eén minuut over zeven uur. Het is onmogelijk, dacht hij, dat een bedriegster erin geslaagd zou zijn om zich tegenover Leen en Frans als Emma voor te doen. Het kan niet anders dan dat ik straks door Leen gebeld word en te horen krijg dat Emma niet opdaagt. 
Geklop op de deur joeg zijn hartslag nog hoger. Het woord ‘binnen’ kreeg hij niet over zijn lippen. De deur ging voorzichtig open. Zijn adem stokte. Verbijsterd zag hij hoe Leen met een pakje in haar hand binnenkwam, gevolgd door haar man Frans en de vrouw om wie alles draaide.
‘Dag Jean,’ zei Frans luid, ‘zeg nu niet dat je ons ook al niet meer kent.’
Leen wierp een boze blik naar haar man, zette een vrolijk gezicht op en stopte het pakje in Jeans handen. 
‘Niets is zo moeilijk als een cadeau kopen voor een man die alles al heeft,’ zei ze, ‘maar dit moet je toch aanspreken, maak maar open.’
Als verdoofd trok Jean met trage bewegingen de verpakking stuk van een witkartonnen doosje. Het is dus een complot, dacht hij. Men wil me gek laten verklaren en ergens opsluiten. De zeggenschap over mijn vermogen ben ik dan kwijt en die bedriegster wordt er de beheerder van. Van Leen had ik zo’n laffe streek niet verwacht.
Hij legde zijn hand op het deksel en keek iedereen een voor een onderzoekend aan.
‘Maak dan toch open,’ zei de vrouw in wie hij bovenop een bedriegster nu ook de leidster van een complot zag. 
Jean nam het deksel weg. ‘Foto’s?’ prevelde hij verbaasd.
Het panorama op de eerste foto herkende hij onmiddellijk als de Venetiaanse haven van Chania, zijn meest geliefde plek op Kreta.
‘Vakantiefoto’s van Emma en mij,’ zei Leen. ‘Het zijn de foto’s die ik met mijn toestel genomen heb. Ze zijn voor jou. De negatieven zitten helemaal onderaan in een enveloppe.’
Jean bekeek een tweede en een derde foto. ‘Ik geloof niet dat ik ze al een keer gezien heb,’ zei hij.
‘Dat kan best. Je had met Emma een reis geboekt. Ik had jouw plaats ingenomen omdat je je been gebroken had.’
‘Been gebroken? Ja… het schiet me te binnen. Ik had er met Emma ruzie over omdat ze tegen mijn advies in geen annuleringsverzekering had genomen.’
‘Precies,’ zei de vrouw van wie Jean niet kon geloven dat het zijn vrouw was, ‘zo te horen denk ik niet dat je hier nog lang zult moeten blijven.’
‘Wees daar maar gerust op. Mijn herinneringen komen nog wat traag op gang, maar denk nu niet dat er iets mis is in mijn hoofd.’
Frans wreef over zijn mond om een spotlach te verbergen. 
‘Je hoeft de foto’s nu niet te allemaal te bekijken,’ zei Leen. ‘We kregen van de dokter maar vijf minuten bezoektijd. Bekijk ze als we weg zijn.’
‘Bedankt,’ mompelde hij, terwijl hij de doos weer dicht deed en ze op zijn nachtkastje zette.
De vrouw die zich volgens Jean ten onrechte Emma liet noemen, legde haar hand op die van hem. ‘Morgen moet ik de hele dag werken,’ zei ze. ‘Leen en Frans logeren een week bij ons thuis zoals je al weet. Je mag hen altijd bellen als er iets is of geregeld moet worden.’ 
Leen beaamde haar woorden met een knik en een glimlach.
‘En nu weg wezen,’ zei Frans, ‘de vijf minuten zijn om, het is hier om te stikken.’
Zonder dat Jean hen nakeek gingen ze de deur uit. Alsof hij ze voor het eerst zag staarde hij naar de kartonnen doos. Ze willen dat ik alle foto’s bekijk, dacht hij. Als ik het doe speel ik hen wellicht in hun kaart. Als ik het niet doe, zal ik me blijven afvragen wat er de bedoeling van is. 
Hij pakte de doos van het kastje, zette zijn bril op en begon de naar schatting meer dan honderd foto’s te bekijken.
Halverwege stokte zijn adem. ‘Een close-up foto van Leen en de aanstookster van mijn nachtmerrie,’ prevelde hij.
Minuten lang bekeek hij de foto. Uit de resterende foto’s plukte hij er een uit waarop beide vrouwen te zien waren. Aan de negatieven merkte hij niets verdachts.
Mijn verstand zegt me dat zij Emma moet zijn, dacht hij, maar mijn gevoel staat er haaks op. Ik ben zoals die hypochonder over wie de dokter sprak.
Hij kroop moeizaam uit zijn bed. Als een beschonken man strompelende hij naar de toiletruimte en wierp voor het eerst een blik in de spiegel.
‘Capgraswaan,’ mompelde hij. Ik word gek. Misschien is het omgekeerde van iemand niet te herkennen ook waar en is de vrouw die ik herken als Leen, mijn schoonzus niet. En wat moet ik denken over wie ik in de spiegel zie?
Hij zwaaide naar zichzelf, eerst langzaam en dan almaar vlugger en vlugger. Plots hield hij zijn hand stil, keek over zijn schouders en dan weer in de spiegel.
De draaibeweging maakte hem duizeling waarbij hij zijn evenwicht verloor. Hij greep zich vast aan de wasbak. Buiten adem wierp hij een nijdige blik naar het gezicht in de spiegel. ‘Ik kom er wel achter wie je bent,’ stamelde hij.
Liggend op zijn bed pakte hij zijn nieuwe mobiel van de nachtkast en toetste het getal 10 in. ‘Ze kunnen nog niet ver weg zijn,’ mompelde hij.
In Frans’ wagen klonk een beltoon.
‘Ja Jean, met Emma. Ik zie dat jij het bent, zeg het maar.’
‘Leen moet komen… het is de spiegel…’
‘Jean, je klinkt opgewonden? Iets met je spiegel? Is hij gevallen… ik versta je niet, je spreekt onduidelijk, ik… hallo… Jean?’
‘Wat is er?’ vroeg Leen die naast haar op de achterbank zat.
‘Het was Jean, hij heeft opgehangen. Hij vroeg naar je. Hij murmelde iets over een spiegel in zijn badkamer.’
‘Zeg nu niet dat we moeten terugkeren omdat zijn spiegel gevallen is,’ snauwde Frans vanachter zijn stuur. ‘Wie in zo’n rijkemans kamer ligt, heeft genoeg helpende handen. Over een halfuur begint het voetbal.’
‘Frans, keer terug!’ beval Leen. ‘Als we niet terugkeren zal hij tegen iedereen gaan zeggen dat zijn familie hem in de steek laat. We moeten weten wat er gaande is.’ 
 
‘Ik loop wel naar boven,’ zei Frans toen ze opnieuw de parking opreden. ‘Hij zou jullie aan de praat willen houden. Zeg dat ik eraan kom en dat ik het kort ga houden.’
Zonder te kloppen ging hij Jeans kamer binnen. Jean stond hem aan de deur van zijn badkamer op te wachten.
‘Frans, je moet me helpen, maar zeg me eerst wat je ziet.’
Jean ging voor de spiegel staan. Frans keek mee over Jeans schouders.
‘Wat zou ik moeten zien?’
‘Die man daar… wie zie je?’
Frans keek hem in de spiegel verbijsterd aan.  
‘Wat zeg je me nu? Nu denk ik toch dat je-’
‘Frans, doe me een plezier, haal die spiegel weg, ik ken die man niet.’
‘Haal hem zelf weg. Luister Jean, je kent die man niet, zeg je, en je wilt hem buiten. Wel, hang voor die spiegel een handdoek of smijt hem door het raam. En nu ga ik terug naar beneden. De voetbalwedstrijd begint over een kwartier.’ 
Even snel als hij gekomen was liep hij terug naar beneden.
‘Jean twijfelt eraan dat hij het is die hij in de spiegel ziet,’ lachte hij tegen de twee vrouwen achteraan, terwijl hij achter zijn stuur ging zitten.
‘Kijk daar!’ schreeuwde Leen, ‘op de tweede verdieping.’
Met z’n drieën staarden ze verbijsterd naar Jean die buiten op de vensterbank van een open raam stond. 
‘Wegwezen,’ zei Frans, ‘daar ben ik liever geen getuige van.’
Zonder dat er een woord gezegd werd, reden ze parking af. Leen wierp een laatste blik achterom. ‘Ik zie niemand meer,’ zei ze. ‘Ik zie wel mensen die van links en rechts komen toegelopen. We horen het wel. Zijn dood zou ons een lange juridische weg besparen.’
‘Dat klopt,’ zei Frans met zijn blik op de weg, ‘en waar blijft dat complimentje voor dat urenlange werk in mijn donkere kamer?’
‘Sorry lieverd, dat was knap en overtuigend. Zet ons nu maar af aan die bushalte daar, Emma wacht op ons.’
---------

Emma? © Mariska Morkovids

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2014  Mariska Morkovids