Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2006  Majo Schoonheim

Rozenland - Marjo Schoonheim

Door het openstaande raam kijk ik naar de tuin. Het is zomerstil. Zelfs de wind beweegt zich niet. De warmte hangt als een sluier over de rozenbedden. Een kat ligt lang uitgestrekt op het gazon, in de schaduw van de coniferen. Roerloos. Ik hou mijn adem in en tel tot tien. Langzaam blaas ik uit. Alleen de tijd tikt door.

Ik ben een moeder zonder kinderen. Zo voelt het. Nog geen jaar geleden bracht ik de laatste op de wereld. Tenminste, dat heb ik mij voorgenomen, dat het de laatste moet zijn. Een kleine, roze baby, met zwarte haartjes. Een meisje. Dat was wat de dokter zei voordat hij haar op mijn buik legde. Ik kon niet meteen kijken, voelde eerst haar zachte hoofdje tegen mijn wang. Behoedzaam pakte een zuster haar van me weg. Ik werd verzorgd, in een schoon bed geholpen. De lakens voelden stijf maar fris. Het kleintje werd weer bij me gebracht. Ze rook naar baby, ze rook naarÖÖ
Het is anders hier bij jullie dan in mijn geboorteland. Heel anders.
Eerder beviel ik van twee zonen. In mijn eigen huis, met hulp van mijn moeder en de buurvrouw. Mijn man bleef gewoon doorwerken, in de groentetuin. Door het open raam kon ik zijn sigaretten ruiken. Bevallen is vrouwenwerk bij ons. En elk jaar komt er een kind. Dat is niet altijd gewenst, maar wij hebben geen keuze. De geboorte van mijn eersteling vergeet ik nooit. Twee dagen en nachten was ik in de weer om deze zoon het leven te schenken. Hij woog bijna twaalf pond. Het heeft maanden geduurd voordat ik weer de oude was. Al snel bleek ik weer zwanger. Terwijl de baby nog mijn melk dronk. Ik heb mijn best gedaan om blij te zijn. Mijn man wilde graag een groot gezin. Met zonen, om op het land te werken.
We woonden in een wit huis, met twee verdiepingen. De meeste tijd brachten we door in de keuken. Daar kookte ik, we aten er en in de winter brandde de kachel. Mijn man pofte dan maÔs in een gesloten pannetje op het vuur. De kinderen kirden van plezier en dansten om de tafel. Ik was vaak moe. Toch waren dat fijne maanden. De beste maanden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik wist helemaal niets.
Ik was een goede moeder, met een man en twee zonen. Ik zorgde voor hen, voor het huis en de tuin. Ik bakte elke ochtend brood en bezocht mijn ouders. Ik was een goede dochter. Tenminste, dat vind ik nu.
De geur van mijn derde kind, een meisje, was de geur van haar twee broertjes. En de geur van mijn huis, van de seringen in de zomer. Van de pan soep op het fornuis. De geur van het pasgemaaide gras, van het geploegde veld. Van de uien in de voorraadschuur en de kippen in hun ren. Van de kleren van mijn man na een dag hard werken. Van de zinderende zomers en de strenge winters. Van mijn land, mijn weidse, groene, heuvelachtige land.

De geschiedenis van mijn volk is bekend, daar gaat mijn verhaal niet over. Het moet alleen duidelijk zijn dat we vele jaren van vrede hebben gekend. Dat we als goede buren naast en met elkaar leefden in het dorp. Natuurlijk kregen onze kinderen in het geheim les in hun moederstaal, maar dat was van alle tijden. Net zoals het feit dat een goede betrekking altijd aan die ander werd gegund. Niet aan een van onze mannen. Er was stil verzet, maar ook dit was er al zolang. Het was een gewoonte geworden, een dagelijks iets. Ik heb nooit geweten dat het anders was.
Misschien verklaart dit wel mijn verbazing toen ik voor het eerst over de oorlog hoorde. De oorlog die langzaam begon, ver weg, in de grote stad. De oorlog die eerst bestond uit alleen maar geruchten. Dat was de oorlog die ik gemakkelijk aankon. Er was immers altijd de luierwas, de groente die geweckt moest worden, de kinderen die aandacht vroegen. Ik ben heel lang kalm gebleven, ook toen de dorpelingen met verhalen kwamen. Van de mensen die, uit hun huizen verdreven, op de vlucht zouden zijn. Van de soldaten, die alles plat brandden wat ze op hun weg vonden. Van de kinderen die, zonder ouders, uitgeput sliepen in het hoge gras langs de kant van de weg.
Nog steeds kon ik het niet rijmen. Niet met de zon, die elke dag hoog aan de hemel stond en ons goedgezind was. Niet met de gewassen, die een rijke oogst gaven en ons een goede winter beloofden. Niet met mijn kinderen, die met bronzen huid genoten van de zomer. Totdat ik het met eigen ogen moest aanschouwen.
Het was vroeg in de ochtend, weet ik nog. Ik stond aan het aanrecht deeg te kneden. Door het raam zag ik een stip in de verte. Een stip die bewoog, langzaam een stoet werd. Een stoet van mensen. Oude mannen met een, twee, soms drie jassen aan. Grauwe, grijze gezichten met stoppelbaard. Bepakt met huisraad, dekens, een koffer in elke hand. Vrouwen met hoofddoek, omslagdoek, rokken in verschillende lengtes. Oude moedertjes, gezeten in een handkar, opgetast tussen huisraad. Jonge moeders met aan de hand een, twee kleintjes. Stoffig en vermoeid.
Wij openden onze deuren, geschokt, en brachten melk en brood. Nu was het niet meer mogelijk om de oorlog te ontkennen. Hij was ons dorp binnengeslopen, langzaam, maar herkenbaar in de ogen van deze oude mannen, vrouwen en kinderen. Ik zocht naar de jongere mannen, de grote, sterke zonen van ons land maar kon hen niet ontdekken. Op onze vragen rolde de verschrikkelijke waarheid moeizaam over de lippen van een enkeling. Van diegene die nog bij machte was woorden te vinden, de gruwelijkheden te beschrijven. De meeste zwegen, keken van ons weg. Het was toen dat ik besefte dat deze oorlog, deze genocide, bedoeld was om mijn volk te verdrijven en uit te roeien. Het volk van mijn voorouders, waartoe ook ik behoor.

'Morgenvroeg vertrekken we.' De stem van mijn man klinkt vast en zeker. De kinderen kijken verbaasd op van hun bordje soep, lepelen dan weer verder. Ik knik bevestigend. Na het eten pakken we onze koffers, als gingen we op vakantie. De meubels dek ik af met katoenen doeken. Kostbaarheden bergen we zorgvuldig in de muurkast. Als het donker wordt sluit mijn man de houten luiken voor de ramen.
'Slaap lekker, welterusten.' Het is de laatste keer dat ik mijn zoontjes een goede nacht wens. Alleen wist ik dat toen nog niet.

We trekken te voet door de heuvels, langzaam, kinderen maken geen haast. Al snel worden we ingehaald door anderen, die, buiten adem, vertellen dat we op moeten schieten, door moeten lopen.
'Het is niet veilig. We moeten de grens over.' De meeste zijn al dagen onderweg en hebben, net als wij, huis en haard achter zich gelaten.
'Ze steken alle huizen in brand. Ook de kerken en moskeeŽn. Als de mensen niet uit hun woning komen worden ze afgeslacht met een bajonet. We hebben het zelf gezien.'
Ik kijk naar mijn man. Hij zwijgt, maar tilt de kleinste op zijn schouders. Zo lopen we door, iets vlugger nu. De grens is nog zeker zeven dagen ver.

'Een hinderlaag. We zijn in een hinderlaag gelopen.' Het sist door de stoet, gaat van mond tot mond, maakt onze voetstappen zwaar. In de verte zien we dat de weg is afgesloten door een aantal jeeps. Soldaten, zijn het wel soldaten, lopen langs onze rij. Soms blijven ze staan, eisen geld en sieraden. Een vrouw probeert huilend haar trouwring van haar vinger te schuiven. In de berm ligt kleding, huisraad, speelgoed, al wat niet van hun gading is. Als ze dichterbij komen krimp ik in elkaar, verschuil me achter mijn man, die de kinderen stevig bij de hand houdt.
'Hier komen jij.' De soldaat spreekt de taal van mijn buren. Mijn benen trillen zo dat ik geen stap kan verzetten. Hij pakt me ruw bij mijn arm en sleurt me naar de andere kant van de weg, achter de jeeps. Daar staan meer vrouwen, sommigen meisjes nog. Ik hoor mijn zoontjes roepen, de kleinste huilt. Dan de stem van mijn man die mijn naam schreeuwt. Ik wil antwoorden, maar een soldaat haalt uit en slaat me in het gezicht. Ze duwen ons een gebouw binnen, een school denk ik. Daar worden we in de hoek van een lokaal gedreven. De mannen lopen langs ons heen, nemen ons op, van top tot teen.
'Hoofddoek af.' Met trillende handen maak ik het knoopje los. Mijn lange haar golft over mijn schouders. Naast mij begint een meisje te huilen. Een andere vrouw omarmt haar, wil haar troosten. De soldaat slaat haar neer met zijn geweer. Wij schreeuwen, deinzen nog meer tegen de muur aan. Het huilende meisje wordt gesommeerd mee te gaan. Ze zakt op de grond. Twee soldaten pakken haar armen vast en slepen haar het lokaal uit. We klampen ons aan elkaar vast. In de verte, buiten, horen we geweerschoten, in staccato, dof en hol, minutenlang. Dan wordt het stil.

Ze kijken met z'n drieŽn toe hoe ik me uitkleed. Mijn tanden klapperen tegen elkaar, ik proef het bloed van mijn kapotte lip. Ik durf hen niet aan te kijken als mijn rok op de grond valt. Een van hen rukt mijn onderhemd los, scheurt mijn slip open. Als ik naakt ben moet ik mijn armen achter mijn hoofd vouwen en mijn benen spreiden. Ze betasten mijn borsten, knijpen in mijn tepels. Ze duwen de kolf van een geweer tussen mijn benen. Dan moet ik me omdraaien. Met mijn gezicht en handen tegen de muur, voeten van elkaar, word ik gesommeerd om niet te bewegen. Ik sta als bevroren. Achter mij hoor ik de andere vrouwen. Een enkeling huilt, of verzet zich. Ik zie niets maar hoor alles. Ik heb geen besef van tijd. De spieren in mijn benen krampen, mijn armen slapen. Ik denk aan mijn man en kinderen, probeer wanhopig elk geluid te herkennen. Buiten blijft het stil.

Het wordt twee keer donker en weer licht. Ik lig op de grond. De cementen vloer voelt koud en ruw onder mijn huid. Ik draai alleen mijn hoofd nog weg als er weer een soldaat op me kruipt, in me dringt. Ze lijken op elkaar. Ze ruiken naar olie, urine en zweet. Ze neuken grof en gehaast. En er is er niet een die me in de ogen kijkt.

Ik zit op de trappen van ons huis. De trui die ik brei is voor de kleine. Ik hou van het regelmatige getik van mijn breinaalden, van de katoenen draad die door mijn vingers glijdt. Verderop in de straat staan mensen te praten. Ik hoor de gulle lach van een van hen. Langzaam valt de avond. Ik geniet van de schemeruren, van het zachte licht als voorbode van de nacht, voor het donker wordt. Pikkedonker. Ben ik dat, die daar gilt? Ik lig op de grond, op een cementen vloer. Over mijn lichaam wordt een deken gelegd. Iemand hurkt naast me en praat tegen me. Ik kan de taal niet verstaan. Er schuift een hand onder mijn hoofd, mijn lippen proeven water. Ik slik gulzig door. Dan wordt alles zwart. 

Ze hebben me naar een vluchtelingenkamp in de grensstreek gebracht. Daar ben ik goed verzorgd. Elke dag loop ik langs alle tenten om te vragen naar mijn man en kinderen. Niemand kent ze, niemand heeft ze gezien. Elke nacht sta ik op de uitkijk. Vergeefs. Na vier maanden begint mijn buik te zwellen. Ik draag een kind.

In het kamp word ik, als zwangere vrouw, geselecteerd. Samen met ouderen en zieken mag ik naar een veilig land. Daar kan ik wonen tot de oorlog voorbij is. Maar dat wil ik niet. Ik wil mijn man, mijn kinderen. Dus wacht ik, zoek ik, huil mijn tranen droog. In mijn buik schopt de nieuwe baby.
Er komen twee vrouwen naar me toe. Eentje draagt een witte jas. De andere stelt haar voor als dokter. Zelf is ze tolk. De dokter vraagt aan me waarom ik niet meewil. Het is niet veilig hier, zegt ze, en ook niet goed voor mijn baby. Ik luister, kijk naar haar, terwijl de tolk haar woorden vertaalt. Ze heeft groene ogen en kort, lichtbruin haar. Ze lacht vriendelijk, strijkt over mijn hand. Ik moet huilen, eerst geluidloos, maar al gauw snik ik het uit. Ze neemt me in haar armen en wrijft zachtjes over mijn rug. Daarna voelt het alsof er een gapend gat zit op de plek van mijn hart. Ik vertel haar alles.

Een paar dagen later ben ik hier aangekomen. Dit is een fijn land om in te wonen. Een klein land, met veel mensen. En heel veel bloemen. Het mooiste vind ik de rozen. Zachte, gele rozen. Alles is heel goed geregeld. Iedereen kan hier gelukkig zijn. Ook de baby, een meisje, dat ik negen maanden gedragen heb.
Er wonen hier mensen die tegen hun wil kinderloos zijn. Zij kunnen een kind adopteren. Tenminste, als ze een baan hebben en een goed huis. Daar let men op. Dat vind ik heel belangrijk. Mijn meisje moet een fijn leven krijgen. Een leven dat ik haar niet kan geven. Zij is ontstaan uit vijandig zaad en door mij gevoed met haat. Nooit zal zij een kind van mij en mijn man zijn. Zij is de herinnering aan de oorlog die ik wil vergeten. En daarom moet ze uit mijn leven. Ik sta haar af aan vreemden, schenk haar aan dit land. Ook al snijdt dit door mijn ziel.

Met het beeld van de tuin voor altijd in mijn gedachten wil ik afscheid nemen. Ik sluit het raam en de gordijnen. Mijn koffer staat beneden in de gang. Vanavond ga ik terug naar mijn land. Het schijnt veilig te zijn, de gevechten zijn voorbij. Ik ga terug naar mijn dorp, ons huis. Ik weet stellig dat ik mijn man, mijn kinderen, daar weer zal zien.

Rozenland © Marjo Schoonheim

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2006  Majo Schoonheim