Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Martijn Suijkerbuijk

Hans in Wanderland - Martijn Suijkerbuijk

Het was een zomerse dag. De wind zuchtte en deed de groene takken zachtjes deinen. In een positie tussen zitten en liggen bevond ik mij op het bankje in het park, vermoeid met een niet lang daarvoor geopend blikje bier in mijn hand. Het was de vierde van die dag en deze was lauw. Links van mij klonk het gekrijs van kraaien, waarvan er een in mijn richting vloog. Ik schrok uit mijn roes, maar al gauw werd ik weer kalm en hing ik verder achterover. Die kraai was er vaker en kwam dan bij mij zitten, maakte een praatje waar ik niets van kon verstaan, dronk twee slokken bier en ging daarna weer terug naar zijn vrienden in de bomen. In dit geval stond hij echter vlak voor mij en wuifde met zijn vleugel dat ik hem volgen moest.
Ik keek naar links en rechts, om te zien of iemand anders dit ook opgemerkt had, maar ik merkte dat ik alleen was. Het dier wekte mijn enige interesse en ik trippelde al gauw achter hem (of haar, maar mijn gevoel zei ‘hem’) aan, de struiken door. De kraai hopte zo snel, zoals alleen een vogel hoppen kan, dat hem bijhouden maar moeilijk ging. Op een gegeven moment liepen we al een halfuur langs de struiken en onder de bomen, waarbij ik mij afvroeg of het park altijd zo groot was geweest. De kraai bleef enthousiast wuiven hem te volgen, dus dat deed ik. De weg terugvinden zou steeds lastiger worden, maar misschien leidde hij mij wel naar een nieuwe weg die veel sneller was.
Dat was echter niet het geval. We kwamen bij een zestal boompjes, die in een cirkel rondom een reusachtige wilde kastanjeboom van misschien wel veertig meter hoog stonden. Die boompjes kregen weinig licht door het dikke bladerdek van de kastanje, waardoor ze kaal bleven en erg dun waren. Ze zagen er heel zielig uit, armetierig. Gelukkig voor die bomen ving de kastanje het meeste wind, en omdat ze midden in het blijkbaar reusachtige park stonden, zou zelfs een storm ze niet breken. De kraai hopte naar de grote kastanje en tikte hard met zijn snavel op de boomstam.
Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat er in de boomstam een deur zat, met bovenin een raam in de vorm van een hartje. Er was geen deurbel of deurklopper, maar wie er ook in de boom woonde, zou het altijd doorhebben als iemand voor de deur stond, omdat het huis maar vijf stappen groot leek. Ik vond het idee nauwelijks gek, staand voor een huis in een kastanjeboom, terwijl ik rationeel gezien hier toch niet zo snel een huis zou vermoeden. Dat idee deed mij grijnzen.

Met een hoogst irritant gekraak ging de deur open en toonde zich daar een heel klein mannetje. Hij was een jaar of zestig, met een gebogen rug en een vrolijk, maar wantrouwend gezicht en vier haren die over zijn hoofd uitgesmeerd waren. Hij was wit, vast doordat hij zoveel in de kastanjeboom zat. Zijn kleren waren grijs en versleten, ik denk niet dat hij veel reservekleding had. Even keek het mannetje mij recht in de ogen aan, waardoor ik ongemakkelijk werd en naar de grond staarde.
“Wie ben jij?” vroeg het mannetje ineens.
“Ik ben Hans, ik ben meegekomen met deze kraai,” wees ik naar de kraai.
“Mmm… Ik snap het. En waarom dan wel?”
“Ik heb geen idee. Ik versta de kraai niet en ik vraag mij af of hij mij wel verstaat. We brengen geregeld wat tijd samen door en vandaag vroeg hij aan mij of ik met hem mee wilde lopen.”
“Het verbaast mij dat je de kraai niet verstaat, maar dat hij wel aan je vragen kon om mee te lopen. Blijkbaar spreken jullie een taal waarbij je niet hoeft te verstaan. Dat is perfect!” riep het mannetje dolblij uit. “Kom binnen!”
Voorzichtig kroop ik de boom in, en zag dat er niets was, behalve een trap naar beneden.
“Hier moet je heen, we hebben op je gewacht.”
Ik kon mij niet voorstellen dat er iemand op mij zat te wachten, maar ik werd blij van het enthousiasme en nam soms zelfs twee treden tegelijkertijd, totdat ik bijna struikelde, toen nam ik er nog maar een per keer. Na tien minuten afgedaald te hebben, kwamen we bij een nieuwe deur.
“Wacht even,” zei het mannetje. “Je kunt hier alleen naar binnen als je foutloos honderd keer marmelade achterstevoren kunt zeggen.”
Even bleef het stil en keek ik in het donker naar het witte mannetje, die zelfs hier spierwit leek, ondanks de absentie van licht. De kraai kon ik niet zien, maar ik vermoedde dat hij er ook was en voelde dat hij niet zou willen dat ik nu rechtsomkeert zou maken, dus ik begon.
“Edalemram, edalemram, ladmarmem, kut! Edalemram, edalemram, edalemram, rammeaarde, aargh!”
Al snel begon ik mij wanhopig en dom te voelen.
“Het is onmogelijk om honderd keer marmelade achterstevoren te zeggen, zonder fouten te maken!” riep ik uit.
“Ik heb nooit gezegd dat je honderd keer marmelade achterstevoren moest zeggen, zonder fouten te maken. Je luistert wel, maar je denkt niet na. Dat is heel vermoeiend voor mij, want ik heb dus alles voor niets gezegd. We gaan niet verder voordat je foutloos honderd keer marmelade achterstevoren kunt zeggen,” klonk het mannetje uiterst streng.
‘Wat bedoelt hij in vredesnaam?’ vroeg ik mij af. Was ik nu gek, of was hij het? Misschien waren we allebei wel gek, hij woont in een veel te diepe kastanjeboom en ik kruip er bij in, dat is ook niet snugger. Even dacht ik na, maar toen viel het kwartje.
“Ik weet het! Foutloos honderd keer marmelade achterstevoren!”
Direct schoof de deur naar voren en keek ik naar een zonnig graslandschap met een zandpaadje van ongeveer een kilometer lang. Het pad liep richting een grote muur, met binnen die muur enkele stenen huizen en helemaal te midden van al die huizen een groot kasteel. De kraai steeg op en vloog in de richting van de kasteeltorens, waar later bleek dat meer kraaien er hun plek gevonden hadden.
“Ga dan,” probeerde het bleke mannetje mij het pad op te dwingen.
Ik mompelde nog een “doe maar rustig,” voordat ik met mijn handen in mijn broekzakken de weg naar het dorpje bewandelde. Ietwat vermoeid van alle ondernomen tochten kwam ik aan bij de muur, maar zag daar dat er geen ingang was. Ik keerde mij om, om het mannetje en de boom te zoeken, maar in de verste verte was niets anders te zien dan gras.
“Welja…” stak ik mijn schouders op, en begon aan een rondje langs de lange muur, in de hoop een ingang te vinden.
Tijdens mijn ronde hoorde ik aan de binnenkant van de muur een hoop geroezemoes. Ik meende zelfs enkele malen mijn naam te horen. Toen ik driekwart rond was, zag ik plots beweging. Vanaf de rand van de muur zag ik twee figuren een touw laten zakken, met om de halve meter een dikke knoop.
“Hans! Hans! Kom snel, hier kun je naar boven!” riep een van de figuren.
Ik spoedde direct naar het touw toe en zo snel als ik kon klom ik naar boven. Ik ben geen beste klimmer, maar gelukkig waren de knopen meestal zo dik, dat ik er gemakkelijk op kon staan en zo mijn weg naar boven kon vinden. Eenmaal op de muur zag ik pas hoe hoog het was en duizelde het voor mijn ogen.
“Wat fijn dat je er bent, ze zeiden al dat je zou komen.” zei een van de figuren, waarvan ik toen kon zien dat het een jongetje was. “Volgens mijn vader is er een dringende behoefte aan iemand die ons vertelt wat er anders moet,” vervolgde hij.
“Kom snel mee, de ceremonie begint al bijna!” riep het meisje blij.

Gauw pakten ze mijn beide handen vast en leidden mij over de hobbelige straatjes naar boven. Daar aangekomen zag ik een groot uitgevallen schuur waar muziek werd gespeeld. Het was helaas hele slechte muziek, zonder verschil in toonhoogte en ritme. Als een mantra. Een van de liederen klonk:

Pak de muis, pak de muis,
Pak de muis van het fornuis,
Want een muis die is niet pluis,
Je huis is nooit je thuis

Het klonk alsof er pinnen in mijn oren werden gedrukt en liefst had ik mij direct van het leven beroofd door van de hoge muur af te springen, maar mijn hoogtevrees weerhield mij daarvan. Toen het publiek mij en de kinderen zag, ontstond er een immens gejuich in de ruimte, waar ongeveer dertig mensen aanwezig waren. Vanaf links kwam een statige man aanlopen, met een ketting alsof het een burgemeester betrof en deze nam mij mee naar het midden van de schuur, waar de rest een kring om mij heen vormde.
“Hans, wat zijn wij vereerd dat je ons komt bezoeken,” begon de statige man. “Met jouw goedvinden, willen we jou graag toevoegen aan onze stad, als een volwaardig inwoner!”
Ik vroeg mij even af waar het allemaal op sloeg, maar besloot om er in mee te gaan.
“Oké, mooi,” zei ik.
Direct ontsteeg er weer een kabaal. Ik zag mensen binnenkomen met grote pullen bier en kreeg er zelf ook een in mijn handen gedrukt. Meer mensen snelden toe, er werden zelfs drie geroosterde varkens naar binnen gebracht en op grote zilveren platen neergelegd. Blij verrast dronk ik mijn eerste glas leeg en nog voor ik de laatste druppel kon proeven, was een nieuwe mij al aangeboden. De muziek begon weer te spelen, maar in alle enthousiasme en de goede sfeer klonk het zowaar goed en begon ik mee te neuriën.
Toen zag ik twee donkere ogen aan de andere kant van de ruimte. Het was een jonge vrouw van mijn leeftijd, rond de dertig. Haar lichte huid en donkerbruine haren betoverden mij net zoveel als haar blik die mij meesleurde. Een blik waar iets achter zit, iets unieks, iets mysterieus, een stukje waarheid, wellicht.
Ik zal er belachelijk uitgezien hebben, met open mond, terwijl mijn onderlichaam onbewust allang niet meer ritmisch meebewoog op de wanstaltige muziek, maar ze had mij te pakken. Ze lachte lieflijk naar mij en keek dan weer naar de grond. Daarna draaide zij haar hoofd nog een keer naar mij toe en liep toen naar de andere hoek van de ruimte.
Als gehypnotiseerd bewoog ik naar diezelfde hoek toe, waar minder mensen aan het feesten waren en er plaats en rust leek om te praten. Toen ik haar voor mij zag, sloeg mijn hart bijna continu over. Ik werd zenuwachtig, gespannen en wist niet wat ik zeggen moest. Gelukkig brak Mathilde (zo zei zij te heten) de stilte.
“Het is zo fijn dat je er bent. Dit dorp is vreselijk!”
“Is dat zo? Het ziet er wel gezellig uit, iedereen lacht.”
“Dat is omdat het moet, elke dag moet er gefeest worden, moet het gezellig zijn.”
“Ik vind dat niet heel vervelend klinken, maar van wie moet dat dan?”
“Van de Koningin. Iedereen vindt het vervelend, misschien kun jij er iets aan doen.”

Ze had volledig gelijk, zoals ze veel dingen goed zag. Iedere avond was het weer feest en bleek de vreugde die met mijn komst gepaard ging, lang niet bijzonder te zijn. Al snel begon de geveinsde vrolijkheid mij behoorlijk tegen te staan. Ik raakte enkele dagen later aan de praat met drie mannen uit het dorp en deze bevestigden dat iedereen er last van had.
“Waarom stoppen jullie dan niet?” vroeg ik.
“Dat kan niet, het zijn de regels. Doe je niet mee, dan word je zwaar gestraft. Er is wel een mogelijkheid…” zei de linker.
Aan de theatrale stilte te horen, moest ik iets zeggen.
“Welke mogelijkheid is dat dan?”
“Goed dat je het vraagt. Een keer per jaar is het democratiedag. Op die dag wordt er besloten over het beleid in dit dorp. We mogen dan aangeven dat we het oneens zijn met een van de regels. Nu is dit ongeveer de enige regel in het dorp, dus ieder jaar mogen we daarover wat zeggen. Helaas houdt iedereen zich ieder jaar stil. Gelukkig ben jij er nu!” sprak de middelste.
Ik keek enigszins verbaasd naar de drie mannen, ze leken volwassen en sterk, dus wat weerhield ze ervan om voor hun mening op te komen?
“Wanneer is het weer democratiedag, dan?”
“Morgen,” antwoordde de rechter serieus.
Daarna liepen de mannen gehaast weg, het feestende publiek in. Ik besloot goed na te denken over wat verstandig was. Ik werd nu al bijna agressief van de feestregel. Sinds ik een inwoner was geworden, kreeg ik ook een recht van spreken. Daarnaast klonk een democratiedag als een ideale gelegenheid. Met een biertje in mijn hand besloot ik een kort rondje in het dorp te lopen. Ik beklom de trap en liep vlak langs het kasteel van de Koningin. Daar stond een raam open en kon ik een vrouwelijke stem horen.
“… allemaal weer aan het feesten, ik word daar soms zo moe van. Wie wordt daar nu werkelijk blij van?” klonk de stem.
Ik spitste mijn oren, maar voelde al gauw dat er iemand naar mij toe liep. Het bleek een bewaker, die vroeg wat ik aan het doen was. Ik gaf aan dat ik even een luchtje aan het scheppen was, maar werd door de bewaker gemaand zo snel mogelijk naar het feest te gaan.
“Prima, ik krijg de schep toch niet diep genoeg,” knipoogde ik naar de man, alsof ik een kuil gegraven had in de lucht tussen ons in.
Ik kreeg slechts een waarschuwing, omdat ik nieuw was.
“Mag ik iets vragen? De Koningin klonk zelf niet blij met de feestregel,” stelde ik vertwijfeld.
“Iedereen vraagt zich af waarom die regel er is, maar de regel is er, dus je moet je eraan houden.”
Een beetje terneergeslagen liep ik naar beneden, terug naar het feest. Mijn bier was bijna op, dus het werd ook weer tijd. Eenmaal binnen zag ik Mathilde weer. Mijn hart sprong gelijk een dansje in een ritme dat de rest van mijn lichaam geen goed deed, maar ik kon niet anders dan van oor tot oor glimlachen. Ze liep naar mij toe en al snel stonden we te dansen. Hoe gek is het, dat je iemand niet kent en toch zo een verbondenheid voelt? Het zal het bier wel zijn.
“Wat vind je nu, van dit dorp?” vroeg ze mij.
“Het is een vreemd dorp, vooral de feestregel snap ik niet.”
“Ik heb je gewaarschuwd,” lachte ze sinister.
“Waar is morgen deze democratiedag?”
“Op het centrale plein, aan de andere kant van het dorp.”
Nog even dansten we door, maar ik had de durf niet om er meer mee te doen.

Het was eindelijk zover, iedereen uit het gehele dorp was samengekomen. De kinderen die mij het dorp in geholpen hadden, ouderen, mannen en vrouwen. De ceremonie begon met een lange optocht van bewakers die verkleed waren als clown, om zowel kracht als vrolijkheid uit te stralen. Ik denk dat ze daar beter over na hadden kunnen denken. Daarna begon een vuurwerkshow en daarna werd het dorpslied gezongen. Dat lied is echter zo vreselijk, dat ik er verder niet over uit wil weiden.
Uiteindelijk betrad de Koningin het plein, gezeten op een troon die gedragen werd door vier kleine mannetjes. Ze droeg een rode mantel en had een grote gouden kroon op haar hoofd. Gek genoeg kende ik de Koningin ergens van, maar kon ik niet thuisbrengen waar dat van was. Ze had een stevig litteken van vlak onder haar jukbeen, tot haar wang. Toen zij eenmaal gezeten werd aan haar kant van het plein, knielden wij allen en voerde zij het woord.
“Fijn dat jullie allemaal bijeen zijn gekomen voor democratiedag (… blablabla …) Nu zijn we aangekomen bij de beleidsbepaling. Is er nog een regel die aangepast moet worden?” vroeg de Koningin.
Even bleef het stil, waardoor ik zenuwachtig werd, maar ik vond dat je beter iets kon zeggen dat moeilijk is, dan zwijgen en het moeilijk hebben. Dus ik stond op en voelde hoe het hele plein naar mij keek. Zelfs de Koningin en haar clownbewakers leken verbaasd. Om aan te geven dat ik daadwerkelijk iets ging zeggen, kuchte ik in mijn rechtervuist.
“Ik vind de feestregel belachelijk, die zou afgeschaft moeten worden.”
Ik had de zin nog nauwelijks uitgesproken, of een grootse onrust brak los op het plein. Twee oude vrouwen barstten spontaan in huilen uit en een groepje volwassen mannen rende krijsend met hun armen naar de hemel gericht en in blinde paniek rond.
“De afschuw, de vreselijke afschuw!” schreeuwde een vrouw.
Een enkeling rolde over de grond en trok daarbij haren uit het eigen hoofd.
“Stilte! Stilte!” riep de Koningin.
Clownbewakers spurtten over het plein en probeerden iedereen terug naar hun plekken te dwingen. Het zal een kwartier geduurd hebben, voordat iedereen tot rust was gekomen. Een uiterst opmerkelijke gewaarwording.
“Wil je jouw mening nog herzien?” vroeg ze mij.
“Absoluut niet, Hare Majesteit.”
“Dan is het duidelijk,” zei ze, en ze seinde iets naar een van haar bewakers, die een gebouw aan de overkant binnenging.
“Waar je het lef vandaan hebt gehaald, in een dorp dat jou zo gastvrij ontvangen heeft, is mij een raadsel. We kunnen geen regels hanteren en ze dan niet navolgen, dus je zult de enige straf krijgen die staat op het bekritiseren van het Koninklijk beleid: onthoofding!”
Een razende wildernis vormde zich rondom mij, gejuich barstte los en bloeddorstige ogen keken in mijn richting. Ik snapte het niet, maar voor ik iets kon zeggen, werd ik door twee clowns beetgepakt en het plein opgesleept. De andere bewaker, die kort daarvoor het gebouw ingelopen was, kwam naar buiten met een guillotine op wieltjes. Ik begon steeds meer te vermoeden dat men serieus was. Boven mij hoorde ik de kraaien enthousiast hun positie kiezen.
Zonder enige tijd om de situatie op mij in te laten werken, werd ik voor de guillotine geplaatst.
“Als je nog iets te zeggen hebt, dan is het nu jouw kans,” sprak de clownbeul.
Ik keek rond en zag de menigte verwachtingsvol kijken. Of het mijn woorden waren, waar zij op wachtten, betwijfel ik.
“Ik spreek tot eenieder van jullie. Ik heb uitgesproken wat jij zelf gezegd hebt, ik heb niets nieuws verteld. Waarom ik gestraft moet worden voor het benoemen van het overduidelijke is mij een groot raadsel, maar als eerlijkheid een zonde is, laat mij dan een zondaar zijn.”
Ik keerde mij tot de Koningin.
“Zelfs u heeft aangegeven dat er een probleem was, ik benoemde louter dat. Hoe oneerlijk ik het ook vind, dat ik nu gestraft zal worden, ik zal mijn lot dragen met trots. Als dat uw situatie vergemakkelijkt, laat mij dan de kwade boodschapper zijn. Diep van binnen weet u dat ik niets misdaan heb. U kunt uzelf dat natuurlijk voor blijven houden.”
Toen zag ik haar, tussen het publiek. Ze keek verdrietig. De beul zette mij vast in de guillotine.
“Mathilde! Doe iets, jij hebt ook gezien dat er iets gebeuren moest. Jij weet dat iedereen dat vond.”
Ze zette een paar stappen naar voren, uit de menigte.
“Je bent veel te ver gegaan, Hans. Je hebt jouw dorp laten vallen. Ik dacht dat jij de juiste was om ons dorp te helpen, maar je hebt alles verpest. Hou op met smeken en accepteer jouw lot met waardigheid en eergevoel.”
“Wie zijn jullie om hier te spreken over waarden en eer?” fluisterde ik retorisch, meer voor mijzelf dan het publiek.
De beul nam het woord.
“Vanwege het overtreden van een van de belangrijkste dorpsregels zal jij, Hans, op dit moment bestraft worden met onthoofding. Het kan niet zo zijn dat je in ons dorp komt wonen en je eigen weg gaat.”
In mijn ooghoek zag ik de beul het touw naar zich toetrekken, waardoor het glanzende ijzer verder omhoog bewoog. Daarna zag ik de beul het touw loslaten.

TJAK!

Ik schrik en voel mij klaarwakker. Waar ben ik? Ik leef! Ik zie dat ik mijn blikje bier in mijn rechterhand zo scheef heb gehouden, dat de helft over het bankje is gestroomd. Mijn vriend, de kraai, drinkt er enkele slokken van en vliegt dan weer weg. Enigszins bijgekomen van de schok, neem ik een slok van het bier, maar spuug het direct weer uit. Wat ranzig, het is warm geworden! Ik werp het halfvolle blikje in de prullenbak naast het bankje en besluit naar huis te lopen.
Eenmaal thuis ruik ik dat Marja al aan het koken is.
“Het eten is al bijna klaar, fijn dat je er eindelijk bent,” zegt zij bits.
Volgens mij meent ze er niet zoveel van.
“Hoe was jouw dag?” vraag ik.
“Slecht, ik heb erge last van jeuk aan mijn litteken,” zegt ze, terwijl ze over haar wang wrijft. “Heb jij nog een goede dag gehad, of weer niets gedaan?”
Van binnen grinnik ik.
“Och,” mompelde ik, “ik ben naar het park geweest.”

Hans in Wanderland - Martijn Suijkerbuijk

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Martijn Suijkerbuijk