Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Martijn Suijkerbuijk

Bekentenis - Martijn Suijkerbuijk

Langzaam maakt Jasper de bocht om het kleine parkeerterrein op te rijden, het grint kraakt en springt weg onder het gewicht van de auto. Over de felgroene eikenbladeren die langs de parkeerplaats hangen rollen de laatste tranen, maar aan de blauwe lucht begint een zon aan haar tocht naar haar hoogtepunt, waardoor de vogels al blij fluiten. Oplettend stapt Jasper uit, bang om zijn nette kleding te kreuken of vies te maken. Hij hoort de kalmerende stilte aan en ziet dat er bijna niemand is. Even kijkt hij rond en dan stapt hij in de richting waar hij moet zijn. Langs de struiken en voorbij de treurwilgen rondom de vijver in het midden van het parkje, ziet hij de plek. Met een roos in zijn rechterhand loopt hij naar haar toe.
“Ik denk dat ik je iets vertellen moet,” zegt Jasper weifelend.
Met zijn linkerhand beweegt hij door zijn korte haren op zijn achterhoofd, maar hij bedenkt direct dat hij zijn haar in model houden moet. Hoewel hij al vroeg grijzend is geworden, is zijn haar nog in voldoende mate aanwezig om hem van een jong uiterlijk te voorzien. Zenuwachtig zoekt Jasper naar een geruststellende reactie, maar het blijft stil.
“Het begon twee jaar geleden,” klinkt Jasper bijna fluisterend.
Hij kijkt naar de grond voor hem en drukt zijn linker vuist krachtig in elkaar om de spanning te breken, als het niet zijn vingers zelf zijn.

Ik was net verhuisd en kende de buurt niet goed. De enige die ik wel kende was Ton de Zwarte. Volgens mij ken jij hem ook, hij is de barman bij die kroeg waar ik altijd naartoe ga. Een grote snor en wat ouder dan ik… Het maakt ook niet uit. Ik zat niet goed in mijn vel tijdens de eerste maanden en zag eigenlijk weinig mensen anders dan Ton. Hoewel enkele buren ook in de kroeg kwamen, zat ik vaak alleen aan de bar te staren in mijn glas bier, de uren weg te tikken. Ton praatte weleens met mij en dan spraken we over verschillende zaken, maar verder kreeg ik nauwelijks gezelschap, totdat Julia naast mij kwam zitten. Ze had lange blonde haren tot ver voorbij haar schouders en een kleine slag. Ze droeg een roze jurkje, wat strak langs haar slanke lichaam liep en niet ver uitwaaierde. Verder had ze een uitgesproken, vrolijk gezicht en lichtblauwe ogen. Ze was enthousiast en energiek en mengde zich in een gesprek van Ton en mij over wat muziek goed of slecht maakt. Toen Ton andere klanten ging helpen, bleef zij zitten en begon direct met mij te praten. Ze vertelde dat zij geen muziek maakte, maar wel schilderde. Ik vond het prettig dat zij veel sprak, zonder mijn aandacht echt op te eisen, maar ze klonk wel erg enthousiast over haar eigen werk en dat irriteerde mij. Er zijn te veel talentloze figuren in deze wereld die geloven dat zij iets bijzonders doen. Als je ze dan lang genoeg aan het woord laat, gaan ze hun creatieve uitspattingen zelfs met kunst te vergelijken en dan begin ik mij af te vragen of het misschien aan mij ligt. Allicht komt dat doordat niemand uit hun omgeving durft te zeggen hoe slecht het echt is. Ik vreesde dat Julia een van dat soort mensen was en begon verveeld te raken. ‘Je kunt ook doen alsof je geïnteresseerd bent,’ zei zij nors tegen mij. Ik wilde haar uitleggen dat ik haar heel boeiend vond, maar dit kwam er verkeerd uit. Ze haalde daarna haar telefoon tevoorschijn en liet mij enkele van haar schetsen zien. Ik moet toegeven dat ik de schetsen intrigerend vond, maar ik heb te weinig verstand van kunst om er direct in te zien wat er bedoeld wordt. ‘Waar kijk ik naar?’ vroeg ik aan haar. Zij noemde mij vervolgens een eikel en liep terug naar haar kant van de kroeg. Ik keek weer naar mijn glas bier en Ton kwam naast mij zitten. Ik vertelde hem dat ik genoeg had voor die avond en naar huis zou gaan.

Gespannen schuifelt Jasper heen en weer op de grond onder zijn voeten. Hij weet niet of hij het verhaal vertellen moet, maar de stilte moedigt hem aan om door te gaan.

Het was drie weken later dat ik weer naar de kroeg durfde te gaan. Ik had mij slechter dan slecht gevoeld en bleef in die tijd liever thuis op de bank hangen, dan dat ik het risico liep om weer met mijn sociale onvermogen in aanraking gebracht te worden. Ton lachte toen ik binnenkwam, ik vermoedde dat hij zich zorgen had gemaakt. ‘Jasper, ik weet dat het kort dag is, maar je hebt volgende week niets te doen, toch?’ stelde hij op zich terecht vast. Ik vind het altijd weer vervelend als mensen aan de ene kant zo een vraag stellen, maar mij aan de andere kant in het duister laten omtrent wat er werkelijk gebeuren moet. Als ik bevestigend antwoord en er blijkt vervolgens dat hij verhuizen moet, dan kan ik er niet meer onderuit, maar ik wil ook niet het risico nemen iets boeiends te missen en ben enigszins nieuwsgierig naar wat het antwoorden gaat worden. ‘Volgens mij niet, hoezo?’ bood ik mijzelf nog voldoende bewegingsruimte, voor het geval hij echt zou gaan verhuizen. ‘Er is een buurtbarbecue bij mij thuis. Het kan ook goed zijn voor jou om de mensen uit de straat te leren kennen, vooral omdat je geen housewarming hebt gegeven,’ vertelde hij. Ik schrok, ik had helemaal niet gedacht aan een housewarming. Ik had er ook geen zin in, maar dat was niet eens de reden geweest. ‘Dat is goed, ik zal er zijn. Hoe laat?’ vroeg ik alsof ik iets goed te maken had. ‘Als je rond vijf uur komt, kun je mij nog even helpen met de hapjes,’ antwoordde hij.
Kut, was ik er toch ingetrapt!

Grinnikend kijkt Jasper naar voren, maar al snel verdwijnt de glimlach en trekt hij weer een serieus gezicht.

Dus daar was ik, om stipt kwart voor zes. Ton keek mij met een schuin oog aan toen ik zijn voordeur naderde, hij zal hebben gezien dat ik de spanning gebroken had met een fles rode wijn. Plotseling overmand door onzekerheid wreef ik mijn hand wild heen en weer over mijn lippen, vrezend dat het paars nog altijd zichtbaar was. Ton deed open alsof hij het niet zag. ‘Mooi op tijd,’ bromde hij sarcastisch. ‘Alles is al bijna klaar, alleen de spiesjes moeten nog gemaakt worden,’ wees hij naar de grote bak met varkensvlees, tricolore paprika’s en ananassen in blik. Ik voelde mij moedeloos worden. ‘Ik help je wel!’ glimlachte hij om mij gerust te stellen.
Enige tijd waren we de spiesen aan het vullen en na enkele schuine moppen kwam het tot een serieus gesprek. ‘Julia vertelde mij dat je destijds in de kroeg erg onbeschoft gereageerd had. Je gaat jezelf vanavond wel gedragen, toch?’ vroeg hij streng. ‘Ik toonde alleen maar interesse,’ verdedigde ik , hoewel het mijn schuldgevoel niet verminderde. ‘Je rolde telkens met jouw ogen toen ze over haar schilderijen sprak, en toen zij een paar foto’s liet zien reageerde je bot en sarcastisch. Ze vond je heel erg aardig, zei ze. Daarna niet meer, zal je begrijpen.’ Even werkten we in stilte door aan de spiesen. Ik had niet het idee dat ze mij aardig gevonden had, omdat ik mijzelf niet eens aardig vond. Ik had vooral het idee dat zij haarzelf erg leuk vond, maar vrouwen doen dat vaker, over alles praten wat hen interesseert, omdat zij denken dat jij dat als man graag horen wil. Ik begon moe van mijzelf te worden.
Een uur later was de tuin gevuld met mensen en klonk het spetterende geluid van vet op brandende kolen. De ene helft van de tuin bevond zich in een ongezonde mist van roet en rook, maar niemand leek het te deren. De andere helft van de tuin genoot van de stralende zon, die zo laat nog behoorlijk veel warmte verspreidde. De combinatie met de geur van bradend vlees deed mensen overlopen van blijdschap. Ik dronk een glas witte wijn, dan hoefde ik mij in ieder geval geen zorgen te maken over de aanslag op mijn lippen en tanden. Ik liep naar de keuken om mijn glas bij te vullen en passeerde Julia die op haar weg naar buiten was. ‘Geweldig, de party-pooper is er ook,’ mompelde zij nors. Wat een dom woord. Ik fluisterde een welgemeend ‘trut’ in haar richting, maar schrok daar onmiddellijk van. Ik besefte dat ik waarschijnlijk alweer te veel gedronken had. Ik waagde mij, in een poging om een en ander te herstellen, aan een viertal uitgedroogde stokbroodjes met satésaus, maar het mocht niet meer baten. Ik wilde Julia opzoeken om mijn excuses aan te bieden, maar herkende in de grote groep onbekende buren haar gezicht niet. Ik liep door naar Ton en zei hem dat ik naar huis zou gaan, omdat ik de volgende dag vroeg op moest en daarvoor fris wilde zijn. Hij wist dat ik loog, maar knikte mij beleefd een goede avond en een prettige slaap toe.
Ik was bijna bij mijn huis, toen ik Julia weer in mijn richting zag lopen. Verschrikt keek ik om mij heen, maar ik zag dat er op straat niemand was dan wij tweeën. De rest zat te genieten van de spiesjes varkensvlees – ananas – rode paprika – groene paprika – varkensvlees – ananas – gele paprika – varkensvlees. We kwamen beiden tot stilstand, op enkele meters bij elkaar vandaan. Ze mompelde ongemakkelijk dat zij haar presentje voor Ton was vergeten en deze gauw op had gehaald. Aan het Gall & Gall tasje te zien, was het een fles drank. ‘Daar heeft een barman onmogelijk genoeg aan,’ maakte ik mijzelf aan het lachen. ‘In ieder geval vind jíj jou leuk,’ sprak zij bits. ‘Het spijt mij van wat ik zei over jouw schetsen. Ik ben heel benieuwd naar hoe de schilderijen uiteindelijk geworden zijn,’ probeerde ik het goed te maken. ‘Ik heb ze weggegooid,’ mompelde ze. ‘Waarom?’ ‘Omdat jij ze niet mooi vond,’ ‘Dat bedoelde ik niet, ik vond ze mooier dan ik verwacht had, maar wilde dat niet direct toegeven,’ probeerde ik haar voor te liegen. ‘Wil je zien waar ik nu aan werk?’ vroeg zij ogenschijnlijk oprecht opgetogen. Als sneeuw voor de zon was haar boosheid verdwenen. Ze wachtte geen antwoord af en draaide zich direct om, om haar oprit op te gaan. ‘Wel zeggen wat jij er echt van vindt, hè?’ eiste zij blij glimlachend, toen zij haar voordeur opendeed. Ik knikte.
Ik liep door de gang en kwam daarna in haar woonkamer, waar twee lege ezels stonden en een groot schetspapier op de grond lag, naast enkele potloden en kwasten met verschillende kleuren verf. Haar woonkamer was meer atelier dan leefruimte. Voor mij lag geen realisme waar ol maar keek, het was haast abstract, maar zeer expressief. Het raakte mij en ik voelde mij er eenzaam door. Het bezat bijna geen kleur, op een lichtblauwe vlek in de vorm van een soort vogel na, en een hint van donkerblauw dat de bovenrand vormde. De rest was grauw en beangstigend, al kon ik niet uitleggen waarom ik dat zo voelde. ‘Ik word er verdrietig van,’ zei ik. Ik zag dat ze in elkaar zakte. Ze bleef wel staan, maar soms zakken mensen zelfs staand in elkaar en dat deed zij. ‘Zo slecht?’ vroeg zij gekwetst. ‘Nee, zo intens!’ riep ik uit. Ze sprong met dezelfde snelheid weer op, zonder echt op te springen, maar soms springen mensen op, zonder echt te springen. ‘Wat fijn! Ik durf ze aan bijna niemand te laten zien, omdat het heel persoonlijk is,’ begon ze weer even enthousiast te ratelen als in de kroeg destijds. Ze vertelde een vreselijk zielig verhaal, over hoe ze haar moeder nooit gekend had en meer voor haar vader had moeten zorgen dan andersom. Ondanks alle verdriet bleef zij lachen, bleef zij stralen en ik begon haar steeds mooier te vinden. ‘Je kijkt behoorlijk vrolijk, voor iemand die zo’n nare geschiedenis geleefd heeft,’ stelde ik vast. ‘Ik probeer mijn geluk gewoon te vinden in de leuke kanten van het leven en mij niet te laten verslaan door de donkere. Er moet een lichtje zijn om jezelf aan vast te klampen, anders hou ik het niet vol, dat is tenminste wat ik geloof. Dít is mijn uitlaatklep,’ wees zij naar haar schets. Ik keek naar de tas die zij nog altijd in haar linkerhand hield. ‘Ik had het gevoel dat jij dit gevoel wel zou begrijpen. Zoals ik jou altijd in de kroeg zag… Volgens mij ben je ook op zoek naar een weg uit de realiteit,’ klonk zij warm.
Ik zag hoe zij naar mij toe bewoog en langzaam dicht tegen mij aan kwam staan. Haar rechter wijsvinger streelde zachtjes mijn linkerhand en in een keer voelde ik de spanning door mijn lijf schieten. We keken elkaar aan, de tijd ging zo langzaam dat deze bijna stilstond. Mijn hart ging steeds harder kloppen en ik hoorde haar ademhalen zwaarder worden. Zachtjes bewoog ik mijn voorhoofd tegen het hare, totdat ik zo diep in haar ogen kon kijken dat het mijn eigen konden zijn. Tegen mij aan staand zette zij kunstig de fles drank op het tafeltje schuin achter haar en daarna bewoog ze weer in mijn richting. Ze drukte haar warme lippen op die van mij, maar ik schrok plots en dat merkte zij. ‘Wat is er?’ vroeg ze. ‘Ik… Ik kan dit niet, het spijt mij,’ zei ik paniekerig. Ik was dit gevoel niet meer gewend, en het kwam zo onverwachts, wat moest ik doen? Ze zei dat ze mij begreep en dat er geen haast was, ze probeerde zo lief mogelijk te zijn. Ik begon te snikken…

Een traan rolt over Jaspers wang, gevolgd door een geforceerde glimlach. “Ik durfde dit niet aan jou te vertellen, ik schaamde mij ervoor,” zegt Jasper.
“Misschien voelde het alsof ik je bedroog. Waarom ik het nu vertel, weet ik niet precies. Ik heb het gevoel dat ik het aan jou verschuldigd ben, al wist je het waarschijnlijk al lang, je was veel slimmer dan ik,” klonk Jasper liefdevol, ergens tussen huilen en lachen in.
“Ik heb deze voor jou meegenomen,” zegt hij met waterige ogen, als hij de roos voorzichtig voor hem neerlegt.
“Weet je nog dat ik een roos aan jou gaf voor ons eerste afspraakje?” klinkt Jasper ontspannen en hij glimlacht, alsof zij nog tegenover hem staat.
“Deze neem ik weer mee, ze zijn helemaal uitgedroogd,” excuseert hij zich voor het wegnemen van een oude bos bloemen.
“Misschien had ik het jou veel eerder moeten zeggen, dat ik verliefd ben geworden. Al die tijd heb ik over van alles en nog wat gesproken, maar heb ik dit nooit durven te vertellen,” bekent hij zich zichtbaar schuldig voelend.
“Als je zo lang lief en uiteindelijk leed hebt gedeeld als wij, dan moet ik dit ook aan jou kwijt. Alsof ik toestemming wil, hoe dom het ook klinkt. Ik wil in ieder geval duidelijk maken dat ik jou geen seconde ben vergeten en dat ook nooit ga doen. Ik zal eeuwig van je houden, maar ik hou nu ook wel een beetje van haar,” glimlacht hij, terwijl de zon sterker begint te schijnen en een kalme zucht wind hem geruststelt.
“Ik heb onze trouwfoto’s laten zien, ze zei dat ze er nooit zo mooi uit zou kunnen zien als jij. Dat zal je vast fijn vinden om te horen… Ik hou van je,” besluit Jasper.
Hij kust in zijn hand en plaatst deze op de steen voor hem. In zijn gedachten ziet hij haar weer in al haar schoonheid voor zich, even mooi als ze altijd was en een laatste traan rolt over zijn wang. Voorzichtig staat hij op uit de hurkstand, waarin hij zich verplaatst had. Hij controleert of zijn overhemd en zijn getailleerde donkerblauwe jasje nog goed zitten en voelt aan de corsage die op zijn linker revers zit. Als hij daarvan overtuigd is, loopt hij terug naar zijn auto. Vandaag is een bijzondere dag.

Bekentenis - Martijn Suijkerbuijk

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2015  Martijn Suijkerbuijk