Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2017  Martijn Suijkerbuijk

De deur door - Martijn Suijkerbuijk

Zijn handen zaten in zijn zakken. Arnoud liep die nacht op plekken waar hij overdag al niet kwam, steegjes meer duister dan de donkerte alleen verklapte.
Langs hem slenterden figuren, gereduceerd tot silhouetten. Overal op de grond lagen opengescheurde vuilniszakken, enkele lege, ingedeukte bierblikken, de nodige sigarettenfilters en nog wat omgevallen winkelwagens. Het rook er naar een mix van urine en rottend fruit, al leek dat de katten niet te deren, op zoek naar muizen. De ramen van het gebouw naast hem waren kapot, de meeste dichtgetimmerd. Het geluid van rijdende auto’s op de snelweg in de verte, geschreeuw, gevloek, geblaf en het laagtonige residu van bonkige muziek was hoorbaar.
Hij bleef staan bij een garage. Een verzameling bakstenen met een aluminium rolluik, verlicht door een knipperende lantaarn. Een onverlaat had er met graffiti schunnige tekeningen op gespoten. Arnoud glimlachte zowaar. Onderaan het rolluik zat een oog, met een gerafeld touw er doorheen geknoopt. Arnoud pakte het op en trok het luik met veel gepiep en gekraak omhoog, het was duidelijk erg verroest. De enige getuige van zijn actie, een zwerver op de grond naast hem, werd er niet wakker van. Hij bleef luid snurken met een lege wijnfles onder zijn arm.
Arnoud ging de garage in, er brandde een blacklight.
“Doe de deur dicht,” een oplichtende tekst op de binnenmuur werd zichtbaar, omringd door vage tekeningen in felle kleuren.
Arnoud wilde geen discussie met de muur en deed wat deze hem opdroeg. Het blacklight ging uit en het zwart omarmde hem. Er klonk hard geratel van achteren wat kwam van een rolluik aan de andere kant. Vreemd licht scheen er onderdoor.

Verbaasd keek hij ernaar, wachtte even en liep toen toch maar de opening door. Hij was duidelijk niet meer in de stad waar hij daarvoor was. In plaats daarvan liep hij rond in een mistige omgeving. Een grauw gebied, omgeven door hoge rotsen en kale bomen. Er was weinig te zien door het tweedehandse licht. Kleur was er ook niet. Zelfs de wind klonk er gekweld, als een laatste adem.
Zonder verdere twijfel liep Arnoud rond. Hij klauterde op handen en voeten langs een rotswand naar beneden en kwam aan bij een zanderig deel. Voor hem kabbelde het water, waar de mist als een grijs deken overheen hing. Hij wandelde een halve kilometer langs de waterkant en stopte bij een klein bootje. Eerder een grote kajak, dan een kleine boot, eigenlijk. Erin stond een man in een donker gewaad. Diens gezicht verstopt in de schaduw. Hij stond er weinig vrolijk bij, met ingezakte schouders en een gebogen rug.
“Wilt u mij meenemen?” vroeg Arnoud beleefd, hij keek zelfs naar de grond om zich zo nederig mogelijk op te stellen.
De man zweeg, maar hield een hand op. Zijn evenwicht behield hij dankzij zijn peddel, die hij met zijn andere hand in het water hield.
Arnoud doorzocht zijn broekzak, waar hij een biljet van twintig euro uit toverde.
“Wat moet ik daarmee?” vroeg de man.
“Dat is geld, voor de tocht.”
De man schudde vermoeid zijn hoofd. “Ooit was men voorbereid, voordat ze bij mij kwamen. Tegenwoordig mag ik al blij zijn met een oorbel, meestal krijg ik niets,” hij zuchtte teleurgesteld. “Laat maar, stap maar in.”
Voorzichtig stapte Arnoud in de boot, wat makkelijker geschreven was, dan gedaan. De boot schommelde hevig van links naar rechts en Arnoud moest zijn best doen er niet uit te vallen. Toen hij eenmaal stevig stond, vertrokken ze. Ze voeren van de kant af, totdat deze niet meer te zien was. Vol afschuw bekeek Arnoud het water rondom, waar zo nu en dan een wanhopige arm uitstak in een poging de boot te grijpen, wat nooit lukte.
Na enige tijd stroomde het water sneller, waardoor de man zijn peddel niet meer hoefde te gebruiken, behalve om te sturen. De lucht flitste er, maar geluid volgde niet. Wel was het er kouder.
Toen werd Arnouds aandacht afgeleid. Voor hem was iets te zien. Eerst vaag, maar het werd steeds beter zichtbaar. Het was iets hoogs, een berg misschien. De schipper stuurde ingespannen en probeerde de boot uit de stroming te krijgen, die nog heviger werd. Met enkele vloeiende armbewegingen wist hij de boot te doen stranden.
“Wat kom je hier eigenlijk doen?” vroeg de man uiteindelijk.
“Ik zoek iets dat ik verloren ben,” Arnoud slikte.
“Als je hier komt,” klonk de man geheimzinnig, “dan is men doorgaans zichzelf verloren.”
“Misschien… heb je daarin ook gelijk,” fluisterde Arnoud. Hij knikte beleefd naar de man en stapte de boot uit, op weg naar de berg. Het verraste hem dat het water er door een groot gat naar binnen stroomde. Hoe dichterbij hij kwam, hoe luider hij het water kon horen kletteren. De damp hing in de opening. Nieuwsgierig keek hij naar beneden, en zag toen dat er een granieten trap was.

Geconcentreerd, de traptreden waren immers glad geworden door al het water, daalde Arnoud een aardig stuk af, tot hij bij een open ruimte kwam.
“Hé, zie daar, daar is er weer één!” een fel kijkende hondenkop keek hem aan vanaf de andere kant.
“Je hebt gelijk, eindelijk,” klonk de hondenkop naast hem, alsof hij water zag branden.
Met gezonde aarzeling liep Arnoud op het wezen voor hem af. Hij stelde tot zijn verbazing vast, dat het een reusachtige, driekoppige hond betrof, staande voor een grote poort. Zo’n poort die je bij kastelen ziet, met houten deuren en grote, ijzeren deurkloppers.
“Mag ik erdoor?” vroeg Arnoud aan de driekoppige hond.
Het linker hoofd begon luid te lachen, met een zware, indrukwekkende stem.
“Stil!” deed het middelste hoofd het linker hoofd zwijgen.
“Wat wil je hierachter gaan doen?” vroeg het rechter hoofd aan Arnoud.
“Ik wil datgene vinden wat ik mis,” antwoordde hij. Zijn gezicht verried ernst.
“Och, gaat het weer allemaal om meneer!” bromde de linker hondenkop. “Je komt hier zomaar binnen, ziet ons staan, en verwacht gewoon eventjes door te kunnen lopen!? Heb je überhaupt nagedacht over hoe dat voor ons voelt?” hij keek gekwetst.
Arnoud zuchtte vermoeid, het duurde langer dan hij wilde. “Mijn welgemeende excuses voor mijn onbeschofte gedrag. Wat zouden jullie in ruil willen, zodat ik door de poort kan?” vroeg hij met geveinsde interesse.
Het middelste hoofd grijnsde diens scherpe tanden bloot. “Aha! Nu neem je ons serieus en kunnen wij ons verhaal ook kwijt. Zeer attent! Vroeger was dat heel normaal, weet je? Toen wij jong waren, kwamen hier continu mensen langs. Toen moesten we ook strenger zijn. Tegenwoordig komt hier bijna niemand meer, we vervelen ons te pletter!” de andere hondenkoppen knikten instemmend, het was duidelijk een groot leed. “Afijn,” vervolgde de middelste, “dank voor het luisteren. Ik stel dit voor: ik vertel een raadsel en als jij het oplost, mag je de poort door.”
“Wat leuk, een raadsel!” de rechter hondenkop had van blijdschap de tong uit zijn mond gehangen. Zijn oren stonden blij omhoog.
Arnoud knikte instemmend.
“Afijn,” de middelste ging verder, “hier komt het raadsel: een man loopt ‘s ochtends vroeg de huiskamer in en ziet daar zijn waakhond. Enthousiast over zijn plannen zegt de man tegen de hond dat hij die middag met het vliegtuig op reis gaat. In paniek vertelt de hond dat hij even eerder van een man in hun tuin had gehoord dat het vliegtuig zou gaan neerstorten. Eerst lacht de man erom, maar na verloop van tijd groeit de angst. Uiteindelijk besluit hij het vliegtuig toch niet te nemen en later leest hij in de krant dat het vliegtuig inderdaad is neergestort. Opgelucht aait hij zijn hond over de bol, maar geeft hem tot verdriet van de hond niet het verwachte koekje. Waarom niet?” de andere hoofden jammerden ingetogen om het lot van de hond uit het raadsel.
“Aha, dat weet ik!” Arnoud stak zijn vinger in de lucht, alsof hij eerst de beurt moest krijgen. “De hond krijgt geen koekje, omdat hij die man de tuin in had gelaten!”
“C… c… correct!” Vol verbazing begon de middelste hondenkop te hakkelen. “Dit heeft nog nooit iemand goed gehad.”
Met groot respect zette de driekoppige hond enkele stappen zijwaarts, waarna de poort opende. Arnoud nam afscheid en liep door de deur.

De omgeving waar Arnoud vervolgens terecht kwam, was het toppunt van droefenis. Her en der liepen arme zielen jammerend en gekweld rond, al zaten de meesten gewoon alsof er niets te doen was, niets te zien, niets te beleven, dan verdriet. De hemel was donker en rood. De omgeving was bergachtig, met weinig begroeiing. Het gebied was tientallen kilometers groot, schatte Arnoud in op basis van zijn uitzicht. Hij voelde hoe de sfeer hem aangreep en in hem resoneerde.
Hij zag meer vreemde dingen. Een grote, gespierde man was in gevecht met een leeuw en leek te winnen, elders liep een stierachtig wezen, wat ook een mens kon zijn, driftig mensen op te jagen en nog verder zag Arnoud iets dat hem deed kokhalzen. Een arme man zat gebonden aan een hoge paal, terwijl enkele aasgieren de ingewanden uit zijn buik trokken en scheurden. De man gilde het uit, maar er kwam geen eind aan.
Wanhopig schudde Arnoud zijn hoofd, alsof hij het zo onwaar kon maken. Hij liep gehaast door, tot hij werd gegrepen door klanken die zo indringend waren, dat ze onaards leken te zijn.
Arnoud liep op de bron af, een blonde man met een gouden harp in zijn handen. Naast hem zat een vrouw, vermoedelijk zijn eigen, verliefd toe te kijken. Het leek alsof zelfs de stenen rondom werden vervoerd door de ongeëvenaarde klanken. De muzikant zag dat Arnoud op hem af kwam en stopte.
“U speelt prachtig,” Arnoud gaapte hem aan.
“Dank u, maar mijn muze verdient het compliment. Zonder haar zou iedere noot vals klinken, zelfs al is deze zuiver,” het leek alsof hij ergens aan terugdacht.
“Wat kunt u nog meer met deze muziek?” vroeg Arnoud.
De man dacht even na, en speelde toen een opzwepend nummer. De bodem waarop zij stonden verkleurde naar helder groen en de zon brak door de wolken. Arnoud merkte dat, zelfs al wilde hij anders, hij begon mee te dansen, en de genialiteit van de muziek hem bestuurde. De vrouw lachte uitgelaten, de dans zag er knullig uit.
“Dank u hiervoor,” besloot Arnoud, toen de man gestopt was en de omgeving weer veranderde in zijn sombere zelf.
“Geheel wederzijds, maar je vroeg jouw vraag vast niet zomaar,” klonk de man serieuzer, doch immer vriendelijk.
“Dat klopt. Is het mogelijk om met jouw muziek iets ongedaan te maken? Iets dat zo belangrijk is, dat het nooit had mogen gebeuren, maar gebeurde. De klok terug te zetten en het gebeurde te veranderen? Is dat mogelijk?” smeekte Arnoud.
“Dat zou mooi zijn, dat zou mooi zijn,” de man keek verloren naar de grond. “Dat werd een prachtig lied... Met een prachtcouplet en een prachtrefrein, maar zó mooi maak ik ze niet,” hij pingelde onderwijl wat op zijn harp.
“Er is niets dat u voor mij kunt doen?” vroeg Arnoud teleurgesteld.
De man dacht even na. “Ik niet. Alles wat je wil, zul je zelf moeten doen. Hier,” hij spreidde zijn armen om de omgeving te tonen, “ga je het niet vinden, wat je ook zoekt. Hier is niets, geluk woont niet in schaduw. Boven de wolken schijnt de zon,” hij keek naar de top van een berg.
Arnoud knikte, hij begreep wat de man wilde zeggen. “Nogmaals bedankt,” besloot hij en draaide zich om.
Gevuld met hernieuwde energie ging hij richting de berg. Hij liep langs een klein stroompje, met groen rondom. De stroom liep even door en mondde uit in een kleine poel, waar Arnoud een man in zag staan. De man was uitgemergeld en uitgedroogd. Telkens als hij het water rondom hem trachtte te pakken, daalde het peil, en wanneer hij naar de druiven boven hem greep, stegen deze tot buiten zijn bereik.
Arnoud deed zijn schoenen uit en rolde de pijpen van zijn broek omhoog, waarna hij bij de man het water inging. Met zijn handen vormde hij een kom, die hij vol liet lopen en voor de mond van de man hield, die, de uitputting nabij, de druppels gewillig tot zich nam. Dit herhaalde Arnoud enkele malen, waarna hij wat trossen met druiven afbrak en aan de man gaf.
“Duizend maal dank,” met beide handen pakte hij die van Arnoud vast, nadat hij de druiven had opgegeten. “Het is niet in woorden uit te drukken, hoezeer ik ernaar verlangd heb,” zijn ogen werden vochtig van vreugde.
“Graag gedaan,” klonk Arnoud tevreden. Hij brak nog wat druiventrossen af en gaf deze aan de man, waarna hij weer verder ging.
De helling waarop hij liep werd steiler, waardoor hij wist dat hij de voet van de berg bereikt had. Overal lagen kleine rotsblokken en als hij naar boven keek, zag hij dat hij nog erg ver te gaan had. De top was niet eens te zien, daar deze boven het wolkendek lag.
Hij klom en hij klauterde, zwoegde en zweette, om maar hogerop te komen. Hij was al even onderweg op een smal bergpaadje, toen hij rondkeek en de mensen beneden in mieren waren veranderd. ‘Nu kom ik in de buurt,’ dacht hij, maar hij schrok, toen er luid gerommel klonk. Hij keek omhoog en zag tot zijn schrik een reusachtige, ronde rotsblok zijn kant op komen. Hij zocht naar een manier om de steen te ontwijken, maar hij kon nergens heen. Zou hij opzij gaan, dan zou hij honderden meters naar beneden vallen. Hij draaide zich om en rende, zo hard als hij kon, de berg af. De steen denderde neerwaarts, maar toch slaagde hij erin deze voor te blijven en heel beneden aan te komen.
Zwaar hijgend, voorovergebogen en met zijn handen op zijn knieën probeerde hij weer zijn ademhaling te controleren.
“Verdomme!” klonk het een stuk terug de berg op. “Elke keer hetzelfde verhaal,” werd er gemopperd.
Arnoud keek langs de rots en zag een man zonder kleren in zijn richting lopen. De irritatie droop van diens gezicht.
“Wat is er gebeurd?” vroeg Arnoud.
“Wat is er gebeurd!? Denk eens na! Dat stomme rotsblok donderde de berg af. Niet voor de eerste keer. Neen! Dit is welhaast de miljoenste keer,” de man schopte tegen de rots aan, wat hem veel pijn deed. Vloekend hinkte hij op zijn andere voet.
“Waarom wil je die steen naar boven brengen?” vroeg Arnoud, toen de man rustiger was geworden.
De man zuchtte. “Waarom wil jij eten,” snauwde hij meer dan hij het vroeg.
“Omdat dat moet?” Arnoud haalde vragend zijn schouders op.
“Exact,” klonk de man geërgerd. “Nou, ga opzij, ik probeer het nogmaals,” meter voor meter, duwde hij de steen vooruit.
“Wacht!” riep Arnoud. Hij rende naar de man toe en begon mee te duwen. “Ik help je,” hij glimlachte naar de man.
“Wat jij wil,” zei deze alleen.
Het duurde bijna de hele dag, al is tijd lastig in te schatten zonder zon, dus vergeef het mij als ik ernaast zit, toen ze bij het wolkendek aankwamen. De man was veranderd in een enthousiaste lachebek. De steen was door hun samenwerking erg hoog gekomen.
“Zo ver ben ik nog nooit geweest!” riep hij.
Voorzichtig duwden ze de steen door de wolken, waar het zo donker was, dat ze alleen maar konden hopen dat ze de goede kant op gingen. Daar kwam een einde aan, toen ze zonlicht en blauwe lucht zagen. Kreunend duwden ze de steen op de top, waar deze bleef liggen.
“Ja!” de man stak zijn armen de lucht in. “Eindelijk! Ja!” juichend rende hij heen en weer, waardoor van alles bungelde en zwaaide. Hij omarmde Arnoud en gaf hem een dikke kus op zijn mond. “Ik ben je eeuwig dankbaar,” uitzinnig liep hij nog een of twee rondjes, waarna hij serieuzer werd. “Ik moet gaan,” hij spoedde de berg af om te verdwijnen.
Hoewel de man zowel amusant, als intrigerend was, wist Arnoud dat hij belangrijker zaken te doen had. Achter de steen stond een ladder, die hoger ging, dan Arnoud kon kijken. Hij klom zo snel als hij kon, wat lastig ging, doordat de lucht almaar ijler werd, waardoor hij soms moest pauzeren om niet zo licht in zijn hoofd te worden, dat hij het hele eind omlaag zou storten.
Het gehele wolkendek leek inmiddels een wolkje, toen hij boven zich een luik zag, omringd door niets. Hij duwde en tot zijn grote schrik, bemerkte hij dat deze niet bewoog. Zijn hart klopte harder en zijn voorhoofd werd klam. Hij zou toch niet zover zijn gekomen, om daar te eindigen? Hij zocht naar een oplossing en zag iets aan de zijkant van het luik. Het was een cijferslot met zes getallen, stuk voor stuk draaibaar en allemaal stonden ze op een negen.
Arnoud begon te draaien en te combineren. Van het getal pi, tot onzinnige samenstellingen die nergens op duidden, maar niets werkte. Wanhopig sloeg hij tegen het luik aan, waardoor hij weggleed met zijn voeten en slechts met één arm aan de ladder bleef hangen. Geschrokken zette hij zijn voeten terug en probeerde zijn rust te hervinden.
Toen hij eenmaal kalm geworden was, schoot het hem te binnen. Zorgvuldig zette hij de cijfers in de juiste volgorde: nul-zeven-een-een-een-twee.
Klik.

Hij klapte het luik open en kroop door de opening. Daarna sloot hij het luik en bekeek de ruimte. Het leek een ruime hut te zijn, waar een lachende zon van buiten naar binnen scheen. De vloer bestond uit houten planken en het dak was van palmbladeren gemaakt, die bovenin samenkwamen in een punt.
De ruimte was gevuld met bureaus, stoelen, een schoolbord en wat speelgoed in de hoek. Arnoud voelde ongemak en keek driftig rond. Hij zag dat er buiten een vrouw zat, met een blauw gewaad aan. Stampend liep hij over de vloer, die piepte en kraakte door de kracht.
Ze zat in een strandstoel, wat niet eens zo gek was, als je bedenkt dat de stoel op een strand stond. Arnoud zag overal rondom hem zacht, wit zand. Daaruit ontsprongen vele hoge palmbomen die lieflijk wuifden, met hun felgroene kruinen in de zoele zomerzon, onder een heldere, blauwe lucht. Hij bevond zich op een prachtig eiland. In de verte hoorde Anoud het heftige gekibbel van een groep meeuwen, dat in discussie was over wie wanneer op hoort te vliegen en waar precies mocht staan.
“Waar zijn ze!?” riep hij buiten zinnen.
De vrouw stond op en ging rustig, maar sterk tegenover Arnoud staan. Met een enkele handbeweging bewoog ze haar vuurrode haren tot achter haar oor. Hij stond driest in- en uit te ademen.
“Wat bedoel je?” vroeg ze.
“De kinderen, die je ontvoerd hebt!?” hij moest zich inhouden niet uit te halen.
“Niemand is hier ontvoerd,” ze bleef vriendelijk klinken.
Verderop, nabij het strand, zag hij een klein jongetje en meisje verstoppertje spelen.
“Aha!” riep hij en rende erheen.
Bij het strand viel zijn mond open. Langs de groenblauwe zee zag hij een jongetje, dat rustig speelde met een speelgoedautootje. Het was een klein jongetje, ongeveer vier jaar oud. Hij liet het wagentje heen en weer rijden, terwijl hij eromheen gekruld lag in het zand. Vol ongeloof liep Arnoud daarheen. Het jongetje voorzag de autostunts van spannende geluidseffecten.
“Mijn van straat geredde roos…” Arnoud hurkte naast hem en streelde de jongen door zijn blonde krullen.
“Hoi papa,” het jongetje keek tevreden op. “Wat is er?”
“Lieverd, wat ben je aan het doen?” klonk het aarzelend.
“Ik ben aan het spelen,” zijn ogen straalden. “Hoe gaat het met mama?”
“Ze is verdrietig, omdat jij niet thuis bent,” Arnouds ogen welden op.
“Zeg maar dat ze niet verdrietig moet zijn, ik vind het hier hartstikke leuk,” het jongetje zette zijn uitspraak kracht bij, door het autootje gevaarlijke manoeuvres te laten uitvoeren.
“Dat is fijn om te horen, lieverd. Wil je niet mee naar mama?” drong Arnoud aan.
Het jongetje schudde zijn hoofd. “Ik hoor hier, ik zie jullie vanzelf weer,” legde hij uit. “En er zijn hier dolfijnen!” klonk hij blij.
Arnoud knikte. “Oké… Ik hou van je,” hij aaide zijn zoon nogmaals door het haar. Tranen rolden over zijn wangen, vielen van zijn kin en vormden donkere vlekken in het witte zand.
“Ik ook van jou, papa,” het jochie stortte zich weer op zijn auto.
Uitgeput keerde Arnoud terug bij de hut, waar de vrouw hem glimlachend ontving.
“Begrijp je wat ik bedoel?” zei ze.
Hij zweeg.
“Hij zit hier goed. Kinderen horen vrij te zijn hier zijn ze dat. Jouw zoon is een onschuldige ziel, een en al goedheid, daar mag je trots op zijn,” ze glunderde.
“Mag ik hier ook blijven?” vroeg Arnoud, zachtjes.
De vrouw schudde haar hoofd. “Je past hier niet. Jij zit gevangen tussen hoop en vrees en je hebt thuis een vrouw die je nodig heeft. Misschien, ooit…” haar hand lag op zijn schouder.
Hij keek achterom naar zijn zoon die onveranderd vrolijk doorspeelde.
“Oké,” zei hij, waarna hij ergens tussen terneergeslagen en opgelucht naar huis terugging.

De deur door - Martijn Suijkerbuijk

Homepage  Schrijversweb  Schrijversweb 2017  Martijn Suijkerbuijk