Miranda Gosma

De Onverlichten

1991

Hij lachte een stralende lach. “Waarom lach je naar me?” vroeg ze zonder de woorden uit te spreken, “zie je niet dat ik verdorven ben?” De glimlach duurde langer dan haar onuitgesproken vraag. “Hoi” zei hij. “Hoi” zei ze. En ze liep verder.

2009

De paragnost aan de andere kant van de tafel keek haar aan: “Hij gaat zielsveel van je houden. En jullie krijgen een hele mooie dochter, met bruine ogen. Ik zie drie dingen: je kent hem op dit moment al, je ontmoet hem via je werk en hij heeft al een dochter.”

Ze belde met haar ex-collega en goede vriendin in Deventer.
“Hoe zei je dat hij heet?” vroeg ze.
“Mijn collega heet Arjan, Arjan Grootmeester” zei haar vriendin.
“Die ken ik volgens mij inderdaad. Die zat bij mij op de Havo. Hij had een hele bos krullen.”
“Ja, hij heeft krullen!”
“Dan weet ik wel wie het is. Hij schonk chocolademelk in de pauzes en er waren heel veel meisjes verliefd op hem.”
“Oh dat geloof ik meteen. Het is echt een leuke vent. Hij gaat dus ook mee naar de voetbalwedstrijd. Zal ik hem je nummer geven? Wie weet kunnen jullie iets afspreken om samen te reizen.”
“Dat is goed, leuk, ik ben benieuwd of hij ook nog weet wie ik ben.”

Rond 16.00, station Amersfoort Centraal
Ze liep naar de stationshal, zich afvragend of ze elkaar zouden herkennen. Hij was één van de eerste mensen die ze zag toen ze de hal binnenkwam. Hij zag haar ook en liep naar haar toe. Zijn stralende glimlach versluierde haar angst. “Fijn” dacht ze, “zolang de betovering duurt, ben ik veilig.” En daarna: “Laat nou eens los, die gedachten, en probeer te ontspannen en te genieten.” Ze kochten iets op het station. In de kleine ruimte van de auto kreeg zijn opgewektheid vat op haar en haar twijfel om met hem naar de voetbalwedstrijd te rijden maakte plaats voor een nieuwsgierige maar voorzichtige luchthartigheid, waarachter vrolijkheid drong om te worden losgelaten. Zij stond het toe, naarmate de kilometers vorderden. Uit zijn vragen sprak af en toe een ongeduldige en blijmoedige hoop die zowel haar eigen hoop aanstak als maakte dat ze op haar op haar hoede wilde zijn. Hoe langer de rit duurde, hoe langer ze wilde dat de rit duurde. Ze maakten grapjes en ze vond zijn humor leuk. Ze vond hem zelf ook leuk en op deze veilige afstand was dat nog niet eens zo angstaanjagend, zodat ze zelfs kon genieten van deze momenten in de auto met hem.

Ze waren aangekomen bij haar vriendin. Hij stond in de keuken, bij het aanrecht en zij stond op de trap, vanwaar ze in de open keuken kon kijken. Zoals in menig voorspelbaar romannetje beschreven, voelde ze zijn blik haar ogen binnen komen, tot diep in haar lichaam doordringen en ze begon te gloeien van binnenuit. Ze wendde haar hoofd af en liep verder de trap af. “Het gebeurt”, dacht ze “er gebeurt iets, maar hoe noemen ze dit? Liefde?” Hij kwam naar haar toe. Er ontstond een gesprek. Hij vertelde haar waarom hij geen relatie had. Het lukte niet, zei hij. Ze kon later niet reproduceren wat hij als verklaring had gegeven hiervoor, wat ze jammer vond, want het was wellicht waardevolle informatie om haar eigen situatie in te schatten. En misschien juist ook wel volslagen waardeloos.
Later, op het strand, zou hij haar vertellen dat de reden waarom zijn relaties niet lukten, bij haar niet aan de orde was. En dit zou niet waar blijken te zijn, zoals ze tot haar immense -en wellicht ook tot zijn- desillusie zou ervaren.

Eerst nog de voetbalwedstrijd waar ze met zijn drieën naar toe gingen. “Zijn jullie een stel?” vroeg de bekende van haar vriendin. Stilte. Noch hij, noch zij zei iets. In dit niet eens zo lange ogenblik schoten duizend gedachten door haar hoofd. We geven allebei geen antwoord! Betekent dit iets? Waarom zegt hij niets? Waarom geef ik zelf eigenlijk geen antwoord? O, de vraag wordt herhaald, ja raar natuurlijk, deze stilte. Op een bepaald moment was de stilte voorbij zonder dat het antwoord was gegeven. Ze kon zich later niet meer herinneren hoe dit zo gekomen was.
Op een gegeven moment stond ze samen met hem te wachten op haar vriendin, die iets te drinken aan het halen was. Ze kreeg de indruk dat hij haar mee uit wilde vragen, maar hij deed het niet. Het leek alsof hij niet durfde. Of klopte haar waarneming niet? Later zou haar vriendin zeggen dat ze zeker wist dat hij haar binnen een paar dagen zou bellen. Haar vriendin kreeg ongelijk.

Na de voetbalwedstrijd speelden ze nog een spelletje op de flipperkast in de privé-kroegruimte van de familie van haar vriendin. Ze was vreselijk moe en bovendien hield ze niet van flipperkasten, maar ze wilde niet zeggen dat ze naar haar bed verlangde. Uiteindelijk brachten ze hem naar zijn hotel en zij zou bij haar vriendin blijven slapen. Toen hij zijn hotel binnenliep en zij hem nakeek, ervaarde ze een niet nader te definiëren gevoel bij hem te willen zijn.

De volgende dag belde hij haar niet. De dag daarna ook niet. Ergens in de volgende dagen kregen zij en haar vriendin een e-mail van hem, aan hen beiden gericht. Hij had het erg gezellig gevonden en zeker voor herhaling vatbaar. Misschien konden ze in de zomer eens in Amersfoort komen, als hij daar tijdens de Amersfoortse feesten achter de bar stond? Ze begreep niet waarom hij haar niet mee uit vroeg. Hoe werken dat soort dingen, vroeg ze zich af, zijn daar regels voor? Ze mailde terug dat het haar leuk leek om naar de Amersfoortse feesten te komen, maar dat het dan nog wel erg lang duurde voor ze elkaar weer zouden zien. Hij belde terwijl ze in de Hema was. Ze belden wel een half uur en toen ze ophingen, hadden ze nog steeds geen nieuwe afspraak gemaakt om elkaar weer te zien. Ze kwam thuis en belde haar zusje. Ze vertelde dat ze een leuke man had ontmoet, maar dat ze de regels niet kende en er bloednerveus van werd. Hoe was het mogelijk dat ze zich op dit punt in haar volwassen leven zo onervaren, onbekwaam en kwetsbaar voelde als een kind? Haar zusje zei dat ze hem terug moest bellen en moest voorstellen om een afspraak te maken. Dit deed ze. Het voelde alsof ze zowel het doodsbange kind was als de volwassene die het kind bij de hand neemt om het te laten doen wat het absoluut niet wil, maar toch wenst. Ze maakten de afspraak.

Tot de dag van de afspraak, sms’ten ze met elkaar. Hij liet merken dat hij het erg leuk vond om haar weer te zien. Hoe meer hij dit liet merken, hoe banger ze werd. Hij stuurde haar rozen via een sms. Eigenlijk deed en zei hij precies wat ze fijn vond. Maar wanneer zou dit van haar worden afgenomen? Wanneer zou zijn glimlach verdwijnen en plaats maken voor een harde streep in een gezicht waaruit afkeuring sprak, rechtstreeks de pijn aanrakend die door het gif veroorzaakt was?

Het was de dag dat ze hem weer zou zien. Net als de eerste keer dat ze hem terugzag, voelde ze die vreemde cocktail van paradoxale en moeilijk te verwoorden gevoelens. Zolang het moment waarop ze elkaar weer zouden zien nog ver genoeg verwijderd was, had ze opgetogen kunnen genieten van wat zou kunnen komen, maar de angel van de angst begon er nu voor te zorgen dat haar systeem langzaam maar zeker op scherp werd gesteld. Het gif deed zijn werk en liet haar brein zijn vernietigende gedachten afspelen tot ze die niet langer kon negeren en ze niet meer haar volle potentieel tot haar beschikking had. Het was zover. Hij stapte de auto uit. Weer die stralende glimlach en ze verborg haar angst achter de prachtige bos rozen die hij voor haar had meegenomen. Het feit dat hij dat had gedaan, maakte de rozen tot de mooiste bloemen die ze ooit had gezien. Terwijl ze de rozen in het water zette, blij met de afleiding van de activiteit, probeerde ze haar gevatheid en iets van luchtigheid terug te krijgen. Ze gingen naar het strand. Hij vertelde haar dat hij merkte dat in zijn contact met haar niet gebeurde wat hem voorheen al een aantal keren gebeurd was in zijn contact met vrouwen, zodat zijn relaties niet goed afliepen. Ze was verrukt en doodsbang tegelijkertijd. Ze kón zich gewoonweg niet op haar gemak voelen. Ze kozen een plekje om te zitten in het zand en hij trok haar op schoot. Hij kuste haar en ze kuste hem terug. Wat voelde dit fijn en ze wilde dat ze voor altijd zo kon blijven zitten, terwijl hij haar slokjes rosé voerde vanuit zijn mond en zij uit alle macht haar best deed te vergeten dat ze bang was.

Toen ze terugkwamen bij haar huis om te eten, belandden ze in plaats daarvan in de slaapkamer. Ergens had ze het gevoel dat het misschien beter was om te wachten. Maar ze wachtte niet. Hij was gesprongen en zij volgde hem. Ze had de situatie niet meer in de hand en zichzelf ook niet en ze wilde het moment van desillusie uit alle macht voorblijven.
Hij vertelde haar dat hij een dochter had, een poezendochter die hij deelde met zijn buurvrouw.

De volgende dag. Ze had geen middelen meer. Geen rozen om in het water te zetten. Geen rosé om de angst te dempen. Ze had alleen zichzelf en de in haar systeem ingevlochten overtuiging dat dat niet goed genoeg was en nooit goed genoeg zou zijn. Wanneer zou hij dit ontdekken? Wanneer zou hij haar wond vinden, haar immense pijn aanraken, en wat zou hij er dan mee doen? Zou hij er een kus op geven of zou hij wegrennen van zoveel lelijkheid?

Ze spraken af voor een paar dagen later. Haar paniek nam toe. En ze vervloekte die. Ze zou oneindig willen schreeuwen: raak mij aan, houd mij vast en verlies mij niet. Ze was moe. Ze wilde hem niets laten merken. Wat kón ze zeggen, hoe kon ze hem vertellen over iets waar ze nauwelijks woorden voor kon vinden? Hij parkeerde zijn auto in de straat en liep naar haar voordeur. Ze stond op hem te wachten. Ze zag zijn stralende lach en deze keer lukte het haar niet om die te beantwoorden. Ze deed een halfslachtige poging en wendde haar hoofd af, nog net de verbazing in zijn ogen oppikkend. Ook de wijn kon deze keer niet voorkomen dat ze afbrokkelde. Haar woorden, haar gebaren, haar houding, alles brokkelde af en ze kon het niet voorkomen. Ze werd het niets wat ze ooit geacht werd te zijn. En ze wist het.

Zijn sms’jes werden anders. Hij had het gemerkt. Natuurlijk had hij het gemerkt. Ze gingen door alsof er niets veranderd was. Ze kon zelfs uitspreken dat ze bang was. Hij ook, zei hij. Zijn oude gevoel was terug, het gevoel waardoor zijn relaties mislukten. Ze bleven doorgaan. Ze liepen hand in hand. Ze vreeën. Ze gingen naar Brussel. Daar vertelde hij haar wat hij al eerder had gezegd: dat hij niet kon kiezen. Hij kon niet kiezen voor haar. Ze voelde de pijn tot in haar vingertoppen. Ze wilde de pijn wegnemen en dronk. Ze dronk cocktails, samen met hem in een bar. Ze flirtte met een of andere vent in die bar. En ze werd zo dronken als ze kon zijn zonder te hoeven overgeven. Toen ze in bed lagen, huilde ze. Ze huilde met haar hele lichaam en haar hele ziel. Hij vroeg of ze huilde en ze zei van niet. Ze kón hem haar niet laten zien. De volgende ochtend had ze seks met hem met de gretigheid van een dier. Alsof haar lichaam wilde uitspreken wat ze verbaal niet kon.

Die avond kwam hij bij haar langs. Hij zei dat hij dacht dat het beter was om te stoppen met vriendje en vriendinnetje spelen. Zij wilde dat ook, maar op een andere manier dan hij voorstond. Ze gingen naar het strand voor een wandeling en ze voelde dat ze van hem hield. En dat ze hem kwijtraakte. Ze huilden allebei toen ze voor haar huis afscheid namen. Ze vroeg hem of hij zeker wist dat hij dit moest doen en hij zei van wel.
Toen ze haar huis binnen ging, liet ze zich tegen de muur vallen en ze huilde. Ze rende weer naar buiten om hem tegen te houden, maar hij was al weg. Een oneindig gevoel van verlatenheid omringde haar en ze sloot zich op in de badkamer waar ze zich op de vloer liet zakken en ze huilde tot ze geen tranen meer had. Ze vond een haar van hem in de keuken en die bewaarde ze nog een week, tot ze concludeerde dat dat waanzinnig was en de haar weggooide.

Ze vergat hem nooit.

De Onverlichten © Miranda Gosma

Terug naar Schrijversweb 2010

Terug naar Schrijversweb

Terug naar Homepage