Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2003  Pieter Liebeek  Beoordeling BSN

Versteende schuld - Pieter Liebeek

Ze stond ons bij school op te wachten. Haar donkere haren waaiden om haar gezicht terwijl haar blik zich vernauwde in onze richting zodra ze ons in het oog kreeg. Met de moed der wanhoop probeerde ik me te concentreren op dat waar ik voor gekomen was: JoŽl, ons enig kind, bij school afleveren.
'Zo JoŽl,' fluisterde ik hem zacht in de oren, 'zul je weer lief zijn vandaag?' Hij zei niets, maar omhelsde me kort.
Op dat moment voelde ik een stevige ruk aan mijn jas. Ik keek op in de woede van haar gelaat.
'Mag Ūk niets tegen mijn zoon zeggen?'
Ik liet haar begaan. Ze sprak hem nog veel meer lieve woordjes in zijn oor dan ik zojuist had gedaan.
Uiteindelijk gaf ze hem een duwtje in de rug en JoŽl holde naar zijn juffrouw. Het was me nooit eerder opgevallen, maar vandaag zag ik het ineens: hij leek op zijn moeder. Zijn manier van voortbewegen, de gebaren van zijn armen, het was allemaal zo precies Anja! Ik keek haar vermoeid aan.
'Jij hebt het voogdijschap niet. Waarom maak je het nou zo moeilijk?'
'Doe ik moeilijk? Alleen omdat ik mijn zoon even wil zien?'
Ik zweeg. Het was bijna een dagelijks ritueel geworden nadat we gescheiden waren en ik het voogdijschap over JoŽl had gekregen. Anja was sociaal en psychisch te onstabiel bevonden, waardoor ik met de opvoeding van mijn zoon belast werd.
Na de uitspraak van de rechter was in feite het echte getouwtrek pas begonnen. Anja claimde van alles wat ze niet mocht claimen. En ik zag het met lede ogen aan. Een vingerknip was genoeg geweest om de instanties het haar te doen beletten, maar ik weigerde omwille van JoŽl en omwille van haar. Dikwijls vroeg ik mij af of ik haar haatte na alles wat er tussen ons was voorgevallen. Soms dacht ik van wel, andere momenten weer niet. Zoals het moment van zojuist: de innige omhelzing tussen moeder en zoon. Het kon en het kon niet.
'Ga maar gauw weg,' zei ik. Ze keek me even aan en ik moest mijn blik van haar afwenden, omdat ik het leed in die ogen niet kon verdragen. We gingen voor eventjes onze eigen weg, zolang als Anja het kon uithouden.

Tijdens de pauze van het werkoverleg belde ik Anja op. Ik was ongerust. Mijn gevoel zei me dat ze de controle begon te verliezen.
'Hallo schat,' zei ik. 'Zul je niet vergeten JoŽl en Wouter op te halen van school?' Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ik zag het verslonsde huishouden van de laatste weken voor me. In mijn hoofd brandden haar verwijtende woorden nog na. Ze voelde zich godverlaten eenzaam. Ze wilde niet dat ik opgeslokt werd door mijn werk en haar niet de aandacht kon geven die ze wilde hebben.
Ik voelde mij als een gevangene die de roepende in de woestijn zag, maar geen hand kon toereiken. Het enige wat ik kon doen was bellen, bellen en nog eens bellen. Ieder moment van de dag benutte ik om de telefoon bij haar roodgloeiend te laten staan. Anja's verstrooidheid nam zienderogen toe evenals mijn gevoel van machteloosheid.

Ik dronk een kopje koffie bij 'De Vallei' en dacht na over mijn huidige leven, de geboorte van iets nieuws, een soort van leven waarmee ik alleen heel vroeger enige affiniteit had. Weg stress, weg alles wat een mens ambitieus maakt.
Wonderlijk genoeg had niemand mij voor gek verklaard nadat ik mijn baan had opgezegd en mij volledig op JoŽl's opvoeding had geworpen. Er was een vreemd soort respect en bewondering ontstaan tussen hen en mij.
Het voelde goed, het voelde op een vreemde manier berustend en op zijn plaats. Was het daarom dat ik Anja's interventieacties kon verdragen? Of was er misschien een andere reden?
Een diep weggestopt gevoel, waar geen plaats meer voor was in mijn huidige harmonieuze leven?
Ik stond op en slenterde langs verlaten winkels. Het was maandagochtend, de winkeliers sliepen uit en ik gaapte in hun doodse etalages. Toen ik voor de etalage van Blokker stond zag ik in de spiegeling van de ruit plotseling een gestalte verschijnen. Met een ruk draaide ik me om.
'Annie?'
'Dag Simon.'
Een ogenblik stond ik aan de grond genageld. Ik had de moeder van Anja sinds onze scheiding niet meer gezien, en nu uitgerekend in deze stille winkelstraat kwam ik haar weer tegen.
'Hoe is het met je?' vroeg ze.
'Best.'
Ik voelde het bonzen van mijn hart tot in de slapen.
'Zullen we wat drinken?' vroeg Annie. Ik knikte.

Besluiteloos hield ik de hoorn van de telefoon in mijn handen geklemd. De grote ronde klok in de directiekamer wees vijf voor twaalf aan. JoŽl en Wouter moesten uit school gehaald worden, maar waarom was Anja dan niet op weg? Voor de zekerheid luisterde ik nog ťťn keer in de hoorn, maar het enige wat ik hoorde waren zachte mompelende geluiden, waarvan ik niet kon vaststellen wie die toebehoorden.
Haastig liep ik naar Kees de Koning.
'Ik moet weg. Privť.'
'Dat zal de raad van commissarissen niet op prijs stellen,' zei hij zakelijk.
'Kan me niets schelen,' antwoordde ik, 'ik ben zo terug.' Hij gaf een afstandelijk knikje.
Onderweg begon ik me steeds meer zorgen te maken. Ik wist dat JoŽl zijn eigen weg zou gaan als er niemand stond om hem op te halen. Een weg waarop geen ander verkeer reed en waarop geen andere mensen te zien waren. Wouter had dat verstand wel, maar die was dan ook twee jaar ouder.
Die twee jaar ouder hadden hem en mij blind gemaakt. Op de kruising van de provinciale weg met de dorpsstraat was het gebeurd. Het eerste wat ik gewaar werd, was een groepje mensen die JoŽl vasthielden, terwijl hij alsmaar stond te wijzen naar een plek op het midden van het kruispunt. Hij sprak als een oude grammofoonplaat waar een pit op zit en dezelfde klank eindeloos blijft herhalen. 'Wouter-Wouter-Wouter...'
Pas toen verdween mijn blindheid. Hij maakte plaats voor de afschuwelijke waarheid die ik van omstanders te horen kreeg. JoŽl die roekeloos de straat was overgestoken, Wouter die het allemaal zag gebeuren, hem toeschreeuwde en hem achternaholde. Hij had het gezien maar was op hetzelfde ogenblik blind geweest, een blindheid die hem fataal was geworden.

'Ze overleeft het,' zei Annie tegen mij. Haar hele wezen ademde grijs uit. Haar grijze vest, haar grijze kapsel en de doffe grijze uitstraling van haar gezicht.
'En jij dan?' vroeg ik. 'Overleef jij het wel?'
'Ik heb het niet over mij, ik heb het over Anja. Het gaat werkelijk beter met haar, Simon. Ze loopt nog maar ťťn dag in de week bij de psycholoog. Ze is weer aan het joggen en ze lacht zelfs weer sinds kort.' Ik haalde me de ogen van Anja weer voor de geest, zoals ik ze vanochtend zag, met die onbeschrijfelijke pijn erin.
'Ik geloof er niets van.' Ze keek me beledigd aan.
'Poeh, volgens mij heeft ze zelfs al weer een vent. Ik zou er wat om durven te verwedden dat ik gelijk krijg.' Ik keek haar verrast aan.
'Dat meen je toch niet? Toe nou, Annie, zover is ze toch nog niet?'
'Let maar op, ik zie haar steeds vaker in het gezelschap van die man.'
'En wie is die man dan wel?'
Ze haalde haar schouders op.
'Ik probeer mijn nieuwsgierigheid tegenover Anja te bedwingen. Als het niet vanuit haarzelf komt, vraag ik niks. Maar het is een lange magere man met heel dun vlassig haar bovenop. O ja, en het is zo grappig, hij draagt altijd een vlinderdasje.'
'Juist ja.'
Ik probeerde aan die gedachte te wennen, maar hoe ik het ook wendde of keerde, het ging er bij mij niet in. De gedachte alleen al irriteerde me om een of andere reden en daarom probeerde ik het onderwerp met rust te laten. Ik manoeuvreerde het gesprek succesvol in een andere richting. Annie en ik konden het, nog altijd, heel goed samen vinden.

Ik dwong me tijdens de begrafenis niet naar haar te kijken. Haar blik rustte al die tijd op mij, ik voelde het. En daarom meed ik haar. Alleen mijn eigen verdriet mocht mij verzwelgen, puur verdriet om het verlies van een kind. Mijn boosheid voor haar koesterde ik, die moest onaangetast blijven, maar hŠŠr boosheid tegenover mij bestond niet. Niet nu. En misschien wel nooit.
De woorden van de dominee klonken als holle nietszeggende echo's. Wat betekenden woorden over genade en vergeving in hemelsnaam in dit verband?
Aan het einde van de ceremonie legde ik een roos op het graf van Wouter. Ik wist dat ze achter me stond, dat ze mijn hand wilde vasthouden, dat ze haar hoofd op mijn schouder wilde leggen, dat ze... Ik kon het niet, ze mocht niet meer dan lucht zijn.
De dag van de begrafenis was voor de ogen van iedereen ook de dag van het vonnis over ons huwelijk.

Deze keer stond Ūk op de uitkijk. Hij zag er precies zo uit als Annie hem beschreven had: alleen kon ik niet zien of hij een vlinderdas droeg. Hij had er een ouderwetse regenjas overheen, waarvan de slip bol werd opgeblazen door de wind. Het leek erop dat hij was komen lopen of de auto moest om de hoek staan, natuurlijk. Zou hij soms in de buurt wonen?
Besluiteloos liep ik een paar straatjes om in deze kale nieuwbouwwijk, die ik nog niet kende.
Er was vrijwel direct een woning voor Anja beschikbaar gekomen, toen onze scheiding er door was. Hier moest ze haar bestaan weer opnieuw zien op te bouwen, zonder mij, maar met een andere man.
Ik vond het een vreemde gedachte die mij allerminst beviel. Stel je toch eens voor dat ze zou gaan samenwonen met die vent. En stel je nou eens voor dat die vent bergen met geld verdiende. Ik dacht aan mijn eigen situatie, aan mijn slinkende vermogen nu ik werkloos was.
Dat kon niet eindeloos duren. Als Anja zich werkelijk uit het dal aan het optrekken was en als zij een solide financiŽle ondergrond kreeg, kon JoŽl dan nog bij mij blijven?
Ik pijnigde mijn hersenen met die vraag, maar een antwoord anders dan dat zoiets niet in de lijn der verwachting lag, kon ik niet bedenken.

Het hoofdeinde naast mij in bed was voor het eerst onbeslapen. Gisteren had ze er nog gelegen, hoewel ik dat niet had willen zien. Nu mocht en kon ik kijken naar de plek waar niemand lag en waar slechts een herinnering aan kleefde. Ik wist dat ik die herinnering moest vergeten en het tegelijk nooit kon. De zon van het ochtendgloren prikte haar stralen op haar kussen en voor het eerst kwam die diepverborgen twijfel boven. Ik zag haar gezicht oplichten zoals het daar in het begin van ons huwelijk altijd lag: vredig en mooi.
Mooi was het gebleven, maar de vredigheid sleet in de loop van de jaren weg. Er stak iets van binnen, waardoor ik als een getroffene uit bed sprong. Voor even wist ik het zeker: het was mijn schuld. Alle vingers hadden naar haar gewezen en ik was de enige die wist dat het niet klopte en dat ze op mij hadden moeten wijzen. Ik voelde mij plotseling een heel klein jongetje. Met trillende handen pakte ik de telefoon en belde mijn moeder.

Toen ik JoŽl uit school haalde stond Anja er niet. Hij liep wat langzamer naar mij toe dan gebruikelijk en keek zoekend om zich heen.
'Is mama er niet?'
'Nee.'
'Gaan we dan naar mama toe?'
'Nee.'
'Waarom niet?' Ik keek hem doordringend aan.
'Wil je dat werkelijk, JoŽl?' Hij knikte.
'Goed,' zei ik, 'we gaan naar mama.' Hij huppelde al voor me uit naar de auto.
'Woont mama ver weg?' vroeg hij, toen we in de auto zaten.
'Nee, mama woont vlakbij. In een mooi nieuw huis en samen met een meneer.' Waarom ging ik provoceren? Waarom ging ik mij te buiten aan speculatieve opmerkingen? Ik beet van kwaadheid op mijn lip. God geve dat het niet waar is, dacht ik. Waarschijnlijk zag ik er heel bedremmeld uit toen ze de deur open deed. Ik keek recht in de ogen van pijn, waarin een vreemd lachend vuur brandde.
'Je lacht,' was het enige wat ik zei. Hoe ongelofelijk stom moet dat wel niet geklonken hebben. Ze lachte er nog harder door. JoŽl viel haar om de nek en zo zwaaiden ze samen de kamer in. Ik was van geen interesse meer en volgde hen desondanks.
'Wil je limonade JoŽl?' Natuurlijk wilde JoŽl limonade, maar eerst moest hij verlost worden van een knellende vraag.
'Waar is die meneer?' Ik voelde dat het bloed me naar de wangen steeg en keek gauw naar buiten.
'Welke meneer?' vroeg Anja.
'Nou, papa zei dat er hier ook een meneer woonde.'
'Papa kletst,' zei Anja boos. 'Er is helemaal geen meneer en die zal er ook nooit komen. Zo!' Zonder naar mij te kijken legde ze een vinger op JoŽl's mond en trok hem vervolgens mee naar de keuken. Vanaf vandaag wist ik het plotseling zeker: de vernietiging van ons bestaan had ik bewerkstelligd. Ik had een gezwel zien ontstaan en ik had het laten voortwoekeren tot de dood er op volgde, terwijl het zů eenvoudig was geweest om het proces te stoppen.
Ik liep met vochtige ogen naar de keuken. JoŽl dronk zijn glas limonade en Anja zat hem peinzend aan te kijken. Ik nam haar hand in de mijne en de eruptie van schuldgevoelens kwam naar buiten.
'Het is mijn schuld. Mijn schuld! Hoor je wat ik zeg? Wouter had niet dood hoeven zijn, als ik je niet had laten wegkwijnen, omdat ik zo nodig...' JoŽl had zijn limonade op het aanrecht gezet en trok aan mijn andere hand.
'Papa, papa, niet doen. Het is jouw schuld niet. Het is mijn schuld!' Hij sloeg zijn handjes voor het gezicht.We grepen hem allebei tegelijk beet in opperste staat van verwarring.
'Ik had de weg niet zomaar over moeten steken. Dat was stout van mij.' Hij huilde zo hartverscheurend dat hij daarmee ook ůnze harten aan stukken reet. Wij stonden minutenlang in de keuken, huilend en elkander vasthoudend, het besef oppakkend dat we alledrie een steen van onze eigen ondergang bij ons droegen.
En heel in de verte blonk het licht van de hoop. Immers: nu we de stenen verzameld hadden konden we gaan bouwen.

Versteende schuld © Pieter Liebeek

Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2003  Pieter Liebeek  Beoordeling BSN