Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2004  Thijs Vossen  Beoordeling BSN

Phuoc Loc - Thijs Vossen

De Mekongrivier is een van de langste rivieren van de wereld. Als een navelstreng kronkelt ze zich in allerlei bochten van uit haar moederschoot op het Tibetaanse plateau, door China, Laos, langs de Thaise grens, door Cambodja en Vietnam om zich uiteindelijk te vertakken en zich te ontplooien tot een netwerk van aders, dat de Mekongdelta steeds weer voorziet van levensvocht.

"PHUOC LOC", staat er op de flanken van de boot geschilderd. Geen sierlijk en elegant lettertype maar grote halen die uit de losse pols zijn aangebracht. "Phuoc Loc" is een vrachtboot die zijn leven slijt op de Mekongdelta. Vrij vertaald betekent het zoiets als "op hoop van zegen". Met grove touwen vol knopen ligt hij vastgesjord tussen zijn lotgenoten in de haven van Saigon. Kinderen balanceren als acrobaten op de touwen en de gladde loopplanken die niet veel breder zijn en zelfs verder doorbuigen. Ik ben niet de enige die heeft gekozen om per notedop de delta in te varen. Overal in de schaduw staan mensen te wachten tot de kapitein zijn roes heeft uitgeslapen en eindelijk wil vertrekken. De ronselaar die me gisteren wist te overtuigen, komt populair naar me toe gelopen en begint me uitbundig te begroeten. Hij was nog enkele details vergeten te vertellen. Het bedrag dat ik aan hem betaalde, was voor zijn diensten. De boottocht moet nog even apart betaald worden. Ik begin te lachen en weiger bij voorbaat een extra dong te betalen. Met al zijn overtuigingskracht probeert hij zijn "vergissing" duidelijk te maken en me over te halen hem meer geld te geven. Als hij merkt dat ik niet toehap, zakt het extra bedrag per minuut. Om zijn geloofwaardigheid niet te verliezen, zegt hij uiteindelijk toe mij te matsen voor deze keer en het met de kapitein op een akkoordje te gooien. Het andere detail is de mededeling dat het verboden is om westerlingen te vervoeren per vrachtschip. Ik dien me schuil te houden tussen de Vietnamezen onderdeks en mag alleen tussen de politiecontroles door aan dek. Als ik hem vraag wat de sancties zijn bij overtreding lacht hij hard en loopt weg.

Met veel gestommel, gerochel en geknars wordt de kapitein wakker en slaat tegelijkertijd de dieselmotor aan. Beiden lijken er geen zin in te hebben. Half aangekleed komt hij uit zijn kajuit en speurt wild naar de hemel. Zijn gezicht staat op onweer. De ronselaar knoopt slijmerig een gesprek met hem aan. Omdat ik ze niet kan verstaan, probeer ik het gesprek te volgen aan de hand van de mimieken en bewegingen van zijn armen. Mijn poging wordt versluierd door de schoorsteen die een roetzwarte dieselwalm uitbraakt en de kapitein uit mijn gezichtsveld doet verdwijnen. Zijn blik is echter op mijn netvlies getatoeŽerd en wordt met de minuut grauwer. Het belooft een fikse onweersbui te worden. Om de boot te beschrijven kan het best begonnen worden bij de motor die zich op de bodem van de schuit bevindt. Eenmaal gewend aan het schare licht, herken ik het model. Het is een Detroit, die waarschijnlijk tijdens de oorlogsjaren is ingebouwd en zijn hartritme bij het slijten der jaren heeft aangepast aan de oude boot. De ruimte er omheen is volgestouwd met mensen. Overal zitten, hangen en liggen ze, zich overgevend aan het lot wat hen te wachten staat. Het plopplop-geluid van de motor zal zich via hun oren naar binnen dringen en eeuwig hoorbaar zijn in hun hersenen.

De lucht is zwanger van de olielucht die neerslaat op mijn ogen. Een kleine waterpomp die aangedreven wordt met een te grote riem moet ons voor het zinken behoeden. Slurpend zoekt een smerige plastic slang op de bodem naar water. Enkele hoger gelegen kieren bundelen het binnendringende zonlicht als bij een toverlantaarn die opgesteld staat in een rokerig provinciezaaltje. Schimmen worden mensen en worden weer schimmen. Lichtbeelden van lang vervlogen tijden worden getoond. Beelden van de galeien en de v.o.c. schepen worden afgewisseld met dia's van bootvluchtelingen. Hier en daar bungelt een hangmat. Kinderen zoeken hun weg waarbij de hete motor en de diverse aandrijfsnaren gevaarlijke obstakels vormen. Overal bagage. Enkele, bij hun poten vastgebonden kippen proberen het hoofd letterlijk boven water te houden. Langs diverse onlogische bochten worden de uitlaatgassen door een verroeste pijp naar boven gevoerd, die verdwijnt via een gat in het plafond. Hierboven bevindt zich het tweede dek waarop mensen zitten die waarschijnlijk iets meer betaald hebben. 'n Soort verzakte tuinstoelen staan in rijen opgesteld. Zelfs voor Vietnamese begrippen is ook deze ruimte te laag om te staan. Weer die gemaakte duisternis, weer die starende blikken. De schoorsteen is hier verpakt met planken om verbranding tegen te gaan. Wie betaalt, krijgt veiligheid. Beide dekken kijken uit op de keuken die zich op de achtersteven bevindt. Vanuit de onderste ruimte zie je alleen de benen van de kok. Kruipend moet je je een weg naar de kombuis zoeken. Op het tweede dek zie je alleen zijn hoofd. Via een trapje met uitgesleten treden daal je af. De inrichting bestaat uit een stenen kookplaats en enkele kabouterkrukjes met tafel. In de hoek staat een afgedankte munitiekist die als ijskast dient. Voor de rest is de boot grotendeels gevuld met manden die leeg op elkaar zijn gestapeld. Ook het buitendek staat vol met manden. Hier bovenuit toornt de stuurhut en de schoorsteen die beiden zo scheef zijn, dat ze los op de manden lijken te staan. Door de smerige, kapotte ramen staart de stuurman naar het roer, dat beweegt op zijn commando's. Het piepende stuurwiel komt nog net boven het motorgeluid uit. Een geroest, half afgebroken pedaal wordt gebruikt om gas te geven. De rem is een lange hendel, waarmee de motor in zijn vrijgang kan worden gezet.

Bij vertrek zak ik onderuit in de enige niet bezette stoel op het bovenste dek en probeer een te worden met mijn omgeving. Iedereen kijkt naar me en praat over me. Een oude vrouw naast me legt haar hand op mijn onderarm en kijkt me teder aan. Als ik lach, streelt ze me zachtjes. Ik geef haar een verfrissingsdoekje, met dank aan Vietnam Airlines. "Merci bien", fluistert ze. De weinige woorden Frans die ze spreekt komen rechtstreeks uit haar herinneringen. Steeds is ze zelf verbaasd als ze weer een woord opdiept. " Merci monsieur, tres bien ".

Als we de laatste politiepost van Saigon zijn gepasseerd, mag ik naar buiten. Bezweet leg ik me in de zon op de voorplecht. De rest blijft gedwee in de boeien. Boten met kokosnoten, suikerriet en volle manden fruit varen ons tegemoet. Op de oevers zie ik gehuchtjes waar rookpluimen het aantal huisjes aangeven. Een visser gooit zijn netten uit. Een vrouw doet haar was. Eenvoud in al zijn pracht.

De kapitein lijkt geen gezicht te hebben. Uitdrukkingsloos staart hij naar voren. Wat verbergt hij?

" You are American." Een man met een bril op begroet me en komt naast me zitten. Zijn naam is Pham Su Sang. Zijn Engels is een verademing. Al gauw voeren we een levendig gesprek. Hij is arbeider en verhuurt zich tegen daggeld voor elk soort werk. Als ik zeg dat zijn uiterlijk niet past bij een arbeider, omdat hij meer lijkt op een onderwijzer of ambtenaar, lacht hij hard maar ontwijkt mijn opmerking. "Be careful with the captain, he does not like you ". Als ik hem vertel uit Nederland te komen, lacht hij schamper. "You look like an American, so you are American. He killed more soldiers, then you have had breakfast. So, be careful". Weer lacht hij schamper en kruipt terug naar binnen. Met een korte beweging van zijn hoofd maakt de kapitein me duidelijk dat ook ik onderdeks moet gaan. Een wapperende vlag in de verte geeft aan dat er weer een politiecontrole nadert.

Op handen en voeten kruip ik achter Pham Su Sang aan naar de keuken. Ik bied hem iets aan. De catering bestaat uit een rijstmaaltijd met koffie of thee. Om het verschil in klasse aan te geven drinkt de 1e klasse uit glaasjes en de 2e klasse uit gebruikte bierblikjes waar de deksel af is gehaald. De kok staat onhandig zijn zojuist gevallen askegel door het eten te roeren. Een jonge vrouw gaat met een grofgetande ijszaag een blok ijs te lijf. Een kind stapt uit een soort kast de keuken binnen. Het is het toilet, dat als een erker tegen de buitenkant van de boot is aangeplakt. De bodem bestaat uit planken waarbij de middelsten ontbreken. Als je misstapt, verdwijn je in het grijze water. Een emmer is met een lang touw verankert aan de deur en danst op en neer op het water. Pham Su Sang wil niet meer over de kapitein praten. Hij negeert mijn herhalingen. Zachtjes praat hij over zichzelf. Zijn broer en vader zijn bij een bombardement om het leven gekozen. Tot 1991 heeft hij zijn moeder in Huť verzorgd. Nu probeert hij elders 'n toekomst op te bouwen en los te komen van zijn verleden. Welk verleden wordt niet duidelijk. Een korte hevige regenbui legt hem het zwijgen op. Met veel lawaai spatten de druppels uiteen op het dak. Overal zijn lekkages. Het is de 1e klasse, die de regen als eerste incasseert. Tegen de tijd dat het water door de bodem naar de 2e klasse begint te sijpelen is de bui al overgedreven. Haastig zet nu de schemering in. Enkele olielampen verlichten de "lounge" en vormen bakens voor insekten die nog schuilen voor de laatste druppels.

Onbeperkt mag ik nou buiten rondlopen. Het is een verademing de zuivere lucht te inhaleren. Ik nestel me op een tros touwen en tuur in de nacht. Nog nooit heb ik zoveel kleuren grijs gezien. Het water, de oeverlijn, de begroeiing en de wolken lopen als in een aquarel in elkaar over. Maar steeds weer dat grijs, waarin rode en groene lichtjes als vreemde dotten verf zijn aangebracht om de positie van andere bootjes aan te geven. Onbekende geluiden geven de tropennacht zijn charme. De kiel snijdt als een mes door het donkere water. Ik kan moeilijk inschatten hoe hard we gaan. De aankomsttijd in Mytho is al enkele uren vertraagd. Als ik wakker schrik uit een lichte slaap hoor ik een hoop geroezemoes. Een schim maakt zich los van de stuurhut en komt naar me toe. Ik word weer gesommeerd onderdeks te gaan. Mijn gevoel is er niet goed bij. Waarom moet ik naar beneden. Ik zie geen lichten van een politiepost. Er broeit iets. Pham Su Sang die me onder op staat te wachten kijkt angstig rond. " Be careful ", zegt hij en kruipt naar de kombuis. Weer ga ik hem achterna en begin hem met vragen te bestoken. Wat is er aan de hand ? Waarvoor is hij bang?

Er volgt een onsamenhangend verhaal over de haven. Er is geen slaapplaats voor mij. Ik moet ergens anders naar toe. "You must do as he says." Hij zwijgt acuut als de toiletdeur opengaat. Een vrouw stapt naakt uit het toilet, waar ze zich gedoucht heeft. Ze lijkt onze aanwezigheid niet op te merken. Als ik opsta om naar het tweede dek te lopen, schrikt ze en bedekt snel haar lichaam. De oudere vrouw waar ik eerder enkele woorden Frans mee sprak, kijkt me teneergeslagen aan. Andere mensen mompelen. Het motorgeluid is gestopt. Het wordt akelig stil. Enkele bemanningsleden zijn naar beneden gekomen en snauwen tegen elkaar. Ergens net boven de waterlijn wordt een soort luik geopend. De kapitein is nu ook benedendeks en gaat in de opening zitten. Af en toe kijkt hij naar buiten. Als na enkele minuten een soort kano tegen de boot botst, kijkt de kapitein me voor de eerste keer aan en zegt iets onverstaanbaars. Geslagen vertaalt Pham Su Sang. Ik word verplicht hier uit te stappen en alsnog dubbel te betalen voor de boottocht. Via een omweg zal ik aan land worden gebracht. Hij kan niet uitleggen waarom. Ik laat hem vertalen dat ik al betaald heb en dat ik pas in de haven uitstap. De sfeer wordt grimmiger. De kapitein schreeuwt tegen Pham Su Sang die steeds weer het zelfde vertaalt. Hij durft geen partij te kiezen. Net als vele Vietnamezen maakte hij waarschijnlijk ooit de verkeerde keuze en betaalt daar nog de prijs voor. De kapitein ziet dat ik hem inschat. Een flinke trap en hij ligt achterover in het grijze water. Hij kijkt me vijandig aan en lacht vies. Hoe vaak heeft hij op deze wijze al mensen bestolen ? Hij zegt iets wat voor iedereen bestemd lijkt. Pham Su Sang blijft verslagen zitten, noch vertalend, noch opkijkend. De ruimte om me heen wordt kleiner. De glimlach in het luik smaller. Mijn gedachten dwalen af naar een vergeelde foto in een restaurant in Saigon. Een Amerikaanse familie zoekt hun verloren zoon. Het laatst gesignaleerd in Saigon. Ik zie de gezichten om me heen die de kapitein vrezen als de dood. Wat is nu wijsheid. Ik geef hem zijn bloedgeld en stap over in de kano, die onder mijn gewicht begint te wankelen en gedeeltelijk vol water loopt.

De afstand tussen de kano en de boot wordt groter. Als trotse overwinnaar blijft de kapitein in de opening zitten. Het schijnsel van een olielamp werpt donkere banen op zijn ontblote bovenlichaam. De strepen van de tijger die zijn wijsheid met brandvlekken heeft moeten kopen.

Phuoc Loc © Thijs Vossen

Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2004  Thijs Vossen  Beoordeling BSN