Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2016  Maartje Elshout Beoordeling Alicia

De wraak van de kasteelheer – Maartje Elshout

Haar hart klopte heel snel. Papa hield haar hand vast. Zijn hand trilde. Ze wilde vragen of alles goed kwam, maar ze durfde niets te zeggen, want het ritueel was begonnen. De dorpsleider gaf het teken. Het schaap werd op tafel gelegd. Eén van de mannen pakte een groot mes en sneed het de keel door. Ze wendde haar blik af. Ze moest sterk zijn. Iedereen moest hierbij aanwezig zijn. Dat was zijn wil.
“Aanvaard ons offer,” sprak de dorpsleider. “Oh, machtige geest. Aanvaard ons offer en onze spijt en laat de kaarsen branden.”
Iedereen had een kaars aangestoken bij binnenkomst. Papa had haar geholpen. Ze hielden de kaarsen voor zich. Je kaars moest blijven branden. Als je kaars uitging, gebeurde er iets heel ergs. Dat was alles wat ze wist.
Er waaide een wind door de kamer. De geest was in de zaal. Ze zag dat de mensen hun kaarsen probeerden te beschermen met hun handen. Papa deed dat niet. Hij hield haar hand vast. Aan de overkant ging een kaars uit. De mensen gilden. De man wiens kaars uit was gegaan, werd bleek. Hij keek angstig om zich heen. Ineens besloot hij dat hij moest vluchten. Hij rende de zaal uit. Ze keken hem na. Je kon niet vluchten voor de geest.
Papa kneep in haar hand, hij was opgelucht. De geest had hen niet gekozen. Ze konden weer drie jaar verder.

15 jaar later
“We moeten vluchten, papa.” Ze keek hem met een kalme, serieuze blik aan, maar vanbinnen voelde ze zich allesbehalve kalm. “Vrijdag is de dag. Ik kan niet weer zo’n ritueel doorstaan.” Ze kon een rilling over haar rug niet onderdrukken.
Haar vaders gezicht stond zorgelijk. De wallen onder zijn ogen verrieden dat hij al enkele weken nauwelijks geslapen had. “We kunnen niet vluchten, Veerle. Hij zal ons vinden.”
De moedeloosheid in zijn ogen vond ze angstaanjagender dan de wanhoop in de ogen van anderen. Wanhoop maakte dat mensen dingen ondernamen – vluchten, bidden, zwarte magie – en hoewel nog niets geholpen had, was er tenminste die kans, die hoop. Maar wanneer de moedeloosheid toesloeg, was de hoop verdwenen, was er geen leven meer en won hij. “We kunnen het proberen.”
“Aad heeft het geprobeerd, samen met zijn vrouw. We hebben hun lichamen aan de rand van het dorp teruggevonden. Hij kan ons maar eens in de drie jaar iets aandoen, maar voor wie vlucht gelden andere regels. Het is een spel van de duivel, zeg ik je.” Hij bracht zijn handen naar zijn gezicht. “Waarom zijn we zo stom geweest?”
Ze ging naast hem zitten en sloeg een arm om zijn schouder. “Jullie hadden honger,” zei ze. “En de kasteelheer trok zich er niets van aan, hij nam de oogst weg, hij liet jullie lijden. Hij was harteloos.”
Er leek leven terug te keren in haar vaders vermoeide ogen, als vuur dat vanuit het niets ontvlamd was. “Zwijg, kind, in godsnaam! Hij heeft oren en ogen, hij hoort en ziet alles. Breng jezelf niet in gevaar.”
Ze rilde opnieuw.
“We hadden zijn kasteel nooit in brand moeten steken.” Haar vader had zijn gezicht in zijn handen verscholen. “Het was nooit de bedoeling hen levend te verbranden. Niemand wilde dit.”
“Jullie konden niet weten dat ze niet op tijd weg zouden komen,” suste ze met een ietwat trillende stem. “Als jullie dat geweten hadden, hadden jullie het niet gedaan.”
“Godzijdank heeft hij in deze dertig jaar alleen mensen die erbij betrokken waren uitgekozen, ook al eist hij dat iedereen erbij is.” Haar vader pakte haar bij haar pols en bracht haar hand naar zijn mond om er een kus op te geven. “Als er iets met jou zou gebeuren, zou ik het mezelf nooit vergeven.”
Ze trok haar hand weg. “Praat niet zo, papa. Ik weet niet wat ik zou moeten als hij jou uit zou kiezen.” Ze schudde haar hoofd en er sprong water in haar ogen. “Ik heb drie jaar geleden het lichaam van Riek gezien. Ik krijg dat nooit meer uit mijn hoofd. Papa, als hij zo doorgaat, roeit hij het hele dorp uit.”
“Dat probeerden we juist te voorkomen,” zei haar vader met een zucht. “De geest van de kasteelheer zaaide dood en verderf, maar hij bood ons dit… dit vervloekte ritueel aan met zijn zieke geest. Hij heeft een pact met de duivel, dat hij zo terug kon keren en ons kan teisteren.” In zijn eerder nog zo lege blik was leven gekomen. “Soms denk ik dat we nooit akkoord hadden moeten gaan. Een aanbod van een man als hij… We hadden moeten beseffen dat er voor hem iets in zou zitten; onze voortdurende angst, onze kinderen naar hem toe moeten dragen voor het ritueel, de afslachtingen. Maar ooit stopt het voor jou, Veerle, ooit stopt het. De kasteelheer heeft beloofd dat hij stopt wanneer alle schuldigen dood zijn. Ik weet niet wat een belofte van hem waard is, maar als hij een pact met de duivel heeft… Hij zal zijn ziel moeten inleveren en dan ben je van hem af.” Hij pakte opnieuw haar hand. “Je zal dan even verdrietig zijn om mijn verlies, maar je zal verder kunnen – een man vinden, trouwen, kinderen krijgen, een eigen leven leiden.”
Ze trok haar vader naar haar toe en omhelsde hem. “Nee, papa, zonder jou kan ik niet verder.”
Haar vader duwde haar iets van zich af en nam haar kin in zijn hand. “Het moet, kind, het moet. Voor mij – zodat ik rust kan vinden – en voor jouzelf. Dit leven dat ik je heb geschonken – vol angst en wanhoop – het is geen leven.”
Ze hief haar kin op en vulde de leegte in zijn hand met haar eigen hand. Met een stem die brak van emotie en daardoor niet zo vastberaden klonk als ze getracht had, probeerde ze hem over te halen zich te verzetten. “We moeten met z’n allen tegen hem ten strijde trekken.”
“Stil toch, kind!”
“Het is toch zo?” Ze veegde ongeduldig enkele tranen van haar gezicht. “We moeten iets doen, papa.”
Haar vader schudde hevig zijn hoofd, zijn blik strak, en zijn greep op haar hand versterkte. “Kind, jij was er niet bij dertig jaar geleden. Je hebt niet gezien wat hij kan aanrichten en wat hij zelf allemaal kan overleven. We hebben hem doorboord met elk puntig voorwerp dat we konden vinden, we hebben hem met water overgoten, we hebben hem verbrand, we hebben gebeden, hem vervloekt. Je kan niet doden wat al dood is.”
“Dan… dan moeten we opnieuw onderhandelen.”
“Dat hebben we vaak genoeg geprobeerd, lieverd. Hij is niet voor rede vatbaar.”
Ze keek hem wanhopig aan, de rillingen door haar lichaam nu onhoudbaar. Haar vader nam haar op zijn schoot en drukte haar als een klein kind tegen zich aan. Ze verborg haar gezicht in zijn shirt en snikte luid.
“Het spijt me, meisje, maar er is geen uitkomst,” zei haar vader zacht. “Vrijdag sterft één van de dorpelingen.”

“Ik heb geen oog dichtgedaan,” zei Neeltje, terwijl ze met haar gerimpelde handen een kaars aannam. Niemand antwoordde, het was geen dag om te praten. Er had de hele week een stilte in het dorp gehangen alsof een vloek hun stemmen tot stilstand had gebracht.
Veerle nam haar kaars aan en hield de kaars bij het vuur. Het was moeilijk te bevatten dat je lot – je leven – afhing van of dit kleine vuurtje bleef branden. Ze staarde naar het kleine flikkerende lichtje, alsof haar blik het in leven kon houden. Je deed rare dingen wanneer je alle controle kwijt was. Ze voelde de hand van haar vader, die haar altijd vasthield bij het ritueel. Haar steun, haar vertrouwen, haar houvast – een kleine genade in dit zwarte schouwspel waarin niets haar bevende lichaam tot stilstand kon brengen of de onzichtbare hand die haar hart had dichtgeknepen los kon trekken.
Ze sloot haar ogen. Ze kon niet meer naar de kaars kijken. Haar vader kneep bemoedigend in haar hand. Ze deden dit samen. Papa en zij, ze kwamen er weer doorheen, daar moest ze op vertrouwen. Oh God, laat het voorbij zijn, laat het toch voorbij zijn.
De dorpsleider had zijn hand had opgestoken. Het ritueel begon. Het schaap werd op de tafel gelegd, het maakte angstige geluiden. Ze keek niet. De geluiden hielden op. “Aanvaard ons offer,” sprak de dorpsleider. “Oh, machtige geest. Aanvaard ons offer en onze spijt en laat de kaarsen branden.”
De wind deed haar haren recht overeind staan.
Hij was gearriveerd.
Ze keek strak vooruit. Ze kon haar kaars niet zien. Ze werd gek als ze naar haar kaars moest kijken. Het was koud, heel koud, en haar hart bonsde zo hevig dat ze zeker wist dat de geest het zou horen en haar angst zou ruiken.
Nog geen gedoofde kaars aan de overkant. Doodse stilte. Alleen die hartslag in haar oren.
Bonk.
Bonk.
Bonk.
Laat het voorbij zijn. Laat het voorbij zijn.
Ze zag een dun straaltje rook voorbij komen. Geschokte gezichten keken haar aan. Een paniekgolf schoot door haar lichaam.
Haar kaars was uit.
Ze hoorde haar vader blazen. “Het is mijn kaars,” riep hij, terwijl hij zijn kaars omhoog hield. “Mijn kaars was als eerste uit.”
Ze begreep niet waarom hij dat zei. Ze begreep niet goed wat er gebeurd was. Ze begreep niets meer. Ze kon alleen naar haar kaars staren. De kaars was uit. Uit.
De dorpsleider bewoog, maar ze registreerde het amper, hoorde alleen vaag zijn stem – ergens heel ver weg, op de achtergrond. In een andere wereld, in een ander leven. “De geest heeft gekozen.”
“Ik sta dit niet toe,” zei papa, zijn stem al even ver weg. Maar hij was hier, bij haar, toch? Probeerde hij te protesteren, haar nog te redden? Dat was onmogelijk. De geest mocht kiezen. Dat was de afspraak. En hij had haar gekozen. Oh God, hij had haar gekozen.
“Ze is onschuldig,” zei papa. “Ik ben schuldig. Neem mij, geest, neem mij!” Hij zwaaide wild met zijn handen.
De wind waaide luid en blies ineens alle kaarsen uit. De dorpelingen maakte geschokte geluiden. “Een waarschuwing!” riep er één. “We gaan er allemaal aan!”
“We hebben u begrepen, oh machtige geest,” zei de dorpsleider. “Ze komt nu naar u toe.”
Hij knikte naar haar. Ze wist dat ze er niet aan kon ontkomen. Maar haar voeten wilden niet bewegen. Er kwamen dorpelingen op haar af. Vader versperde de weg. Eén van hen sloeg haar vader neer. Het deed haar ontwaken. “Nee!”
Ze liep een paar passen naar voren. Stap voor stap. Ze moest zich alleen daarop concentreren. Niet denken aan wat komen ging. Een paar uur, hooguit. Dan zou alles voorbij zijn. Ze draaide zich om. “Vaarwel, papa.” Haar stem klonk vreemd – was dat wel haar stem?
Papa keek haar wanhopig aan. “Mijn dochter, mijn dochter.”
“Ik hou van je.” Ze keerde zich snel om. Het moest gebeuren. Hoe sneller hoe beter. Ze liet zich door de stroom dorpelingen meevoeren naar de ruďnes van het oude kasteel.

Ze hadden haar daar achtergelaten, midden in de ruďnes. Haar ogen schoten wild in het rond. De geest had zich nog niet laten zien. Misschien was er nog tijd om te vluchten.
Ze voelde een tik tegen haar wang. Als de slag van een zweep. Het deed pijn. Ze bracht haar hand ernaartoe.
Bloed.
Hij had haar gevonden.
Even leek ze weer ver weg te zijn, weg van deze horror, dit onvermijdelijke, gruwelijke einde, maar net zo snel schoot er iets door haar heen wat haar hele lichaam paraat maakte om in beweging te komen en haar verstand volledig naar het nu trok.
Ze moest vluchten. Vluchten of op gruwelijke wijze sterven.
Haar lichaam begon al te rennen. Ze schoot door de gangen van het kasteel. De koude buitenlucht sloeg tegen haar wangen. Of waren het nog steeds zijn slagen? Paniek schoot door haar lichaam. Weg, weg, ze moest weg van hem.
Geluiden. Ze hoorde geluiden. Nee, ze was het zelf – haar ademhaling, haar hartslag. Waar was hij? Niet weten waar hij was, waar zijn slagen vandaan konden komen, waar ze heen moest vluchten – het was onhoudbaar.
Ze struikelde en viel hard op de grond. Haar knie bloedde, maar ze merkte het amper. Haar hele verstand focuste zich op dat ene: Dat gewicht op haar rug. Hij was het – dat wist ze zeker. Hij had haar geduwd en nu lag ze onder hem, roerloos, als een machteloze prooi.
Laat me gaan, wilde ze zeggen, maar er kwam alleen een schor gepiep uit haar mond.
Ze hoorde hem grinniken. Zijn gewicht verplaatste zich en ze voelde zijn aanwezigheid bij haar oor. Voor het eerst hoorde ze zijn stem, kil en meedogenloos. “Je kunt niet ontsnappen.”
Haar ademhaling versnelde. Het geluid vulde de ruďnes.
“Je mag het uiteraard proberen,” vervolgde hij. Het gewicht verdween van haar rug.
Wankelend kwam ze overeind. Proberen, hoorde ze in haar hoofd, proberen. Want ontsnappen was onmogelijk. Ze zou hier aan haar einde komen. Doodgaan. Dood. Ze wilde niet dood. Ze wilde papa zien.
Vanuit het niets werd ze hard naar achteren geduwd. Haar hoofd knalde tegen de rotsen. Ze gilde. En rende.
Weg, weg, weg. Sneller.
Haar hoofd bonkte en er gleed een druppel in haar ogen – bloed was het; het vertroebelde haar zicht. Ze hoorde de wind achter zich. De wind was snel. Hij was snel.
Sneller, sneller.
Haar hoofd bonkte, haar knieën werden zwaar, haar benen werden moe. Maar ze bleven lopen. Ze bleven alsmaar lopen. Het was de angst die haar benen vooruit hielp. Maar zelfs angst kon niet voorkomen dat ze uiteindelijk door haar knieën zakte.
Met een gil kwam ze neer. Een gewond dier, klaar voor de slacht.
Laat het snel gaan, dacht ze, laat het alsjeblieft snel gaan.
Ze hoorde de wind links van haar en keek verschrikt om. Maar het geluid kwam alweer rechts van haar. Ze draaide haar hoofd heen en weer – opnieuw en opnieuw, angstvallig zoekend waar hij vandaan zou komen.
Een slag tegen haar kin liet haar tand in haar lip verdwijnen. Voor ze geregistreerd had dat hij het was, had hij zijn tanden in haar vlees gezet. Hij beet hard in haar keel. Ze schreeuwde het uit.
Toen de steken in haar keel stopten, bracht ze er automatisch een hand naartoe. Haar trillende vingers werden nat van het bloed dat hij er had achtergelaten. Huilend keek ze om zich heen, maar er was niets te zien.
Ze hoorde hem gniffelen. “Ik vroeg me al af wanneer je zou gaan huilen.”
“Monster,” zei ze met een zwakke, schorre stem.
“Mijn kinderen huilden ook toen het vuur hen omsingeld had.”
Het duurde even voor zijn woorden tot haar doordrongen. In een laatste wanhoopspoging klampte ze zich aan zijn woorden vast. Hij had kinderen gehad, zij was nog maar net uit de kinderleeftijd. Ze was niet zoals zijn andere slachtoffers; hij zou medelijden met haar krijgen. Dat moest wel. Het moest.
“Ik ben onschuldig,” zei ze tussen haar snikken door. “Ik was nog niet eens geboren.”
“Ik weet het,” antwoordde hij. “Maar jouw vader wel, hij was erbij. En ik bedacht me dat ik de schuldigen het beste kan straffen door hen te laten voelen wat ik voelde. Onmacht. Niets kunnen doen, terwijl je kinderen langzaam en vol angst sterven. Ik was al bijna buiten toen ik hun gegil hoorde. Ik snelde naar hun vertrekken, maar de weg was al versperd. Het plafond kwam naar beneden en ik kon niet meer voor- of achteruit. Ik kon alleen nog maar mijn lot afwachten, luisterend naar hun kreten en naar de stilte die erop volgde.”
Ze haalde diep adem. Ze moest hem overtuigen. Het was haar enige kans. “Dat was vreselijk. Maar u kunt niet hetzelfde terugdoen. U martelt en doodt een onschuldige.” Het klonk vreemd om over zichzelf in de derde persoon te praten, alsof het om een ander meisje ging, maar misschien had ze juist afstand nodig om nog zinnen te kunnen formuleren en argumenten te bedenken. Dit was belangrijk, ze moest haar hoofd erbij houden.
“Mijn kinderen waren onschuldig.” Zijn stem was dreigend en vol haat. “Denk niet dat ik ook maar enigszins twijfel om hetzelfde terug te doen. Elke drie jaar weer. Mijn wraak is nog lang niet voorbij.”
Wanhopig keek ze in de richting van zijn stem, maar haar ogen zagen niets dan de lege rots voor haar. “U hoeft dit niet te doen. Als u mij laat gaan en stopt met moorden, zullen uw zonden vergeven worden. Dan kunt u naar de hemel en uw kinderen weer zien.”
Hij lachte. Het was een hard en angstaanjagend geluid. “Daarvoor is het allang te laat, kleine meid. Wie zijn kinderen heeft horen branden, heeft niets meer met de hemel. Er is niets dan de hel. Voor mij en voor jullie.”
Ze schreeuwde het uit toen hij haar arm ineens omdraaide. “Je kunt je lot blijven uitstellen, maar weet dat je er niet aan kunt ontkomen. Wil je praten of zullen we beginnen?”
Beginnen? Hij vond dat hij nog niet eens begonnen was? Ze werd licht in haar hoofd en voelde dat ze bijna wegviel. Nee, erbij blijven nu. Erbij blijven. Dit is van levensbelang. “Praten.”
Het was slechts uitstel, dat wist ze, maar als hij zich nu op haar zou loslaten, zou ze het niet aankunnen en gillend en krijsend sterven. Ze had tijd nodig. Tijd om haar moed bijeen te schrapen en dapper haar lot te ondergaan. Er was één onderwerp dat hij niet zou negeren. “Hoeveel kinderen had u?”
Ze voelde twee stompen in haar maag en blies haar adem uit. Even dacht ze dat hij haar negeerde en sloeg de paniek toe, maar de stompen stopten en ze besefte dat hij had geantwoord. “T… twee?”
Ze wilde vragen hoe oud ze waren, maar bedacht zich, bang voor de stompen die dat zou opleveren. “Ze wisten het niet – de dorpelingen. Ze wisten niet dat er kinderen in het kasteel sliepen. En dat jullie niet weg konden komen. Ze dachten alleen het kasteel te verbranden.”
Hij gromde. “Ze wisten heel goed dat we binnen waren en wie een woning in brand steekt terwijl hij weet dat er mensen binnen zijn, neemt bewust het risico dat zij sterven. Je zei zelf al dat je er niet bij was. Zwijg over iets waar je geen weet van hebt.”
Vanaf de overkant vloog een steen recht tegen haar borst. Haar longen werden ineen gedrukt. Ze ademde diep in en beet op haar lip om de kreet binnen te houden.
Hij zag het. “Dapper.”
Ze voelde een traan omlaag glijden. De pijn had een andere manier gevonden om zich te uiten. Ze kon hem niet zien, maar ze wist dat hij grijnsde. Ze haalde eenmaal diep adem, want ze wist dat ze hem niet langer kon tegenhouden als ze het zei. Ze hief haar kin op. “Ik hoop dat je brandt in de hel.”
Een luid gebrul vulde de ruimte. Ze zette zich schrap.
Ineens was alles stil.
Niet weten wat er komen ging was het allerergste. “G… geest?”
Maar er gebeurde niets.
Ze bleef stil zitten en wachtte. Hij zei niets, deed niets. Ze voelde zelfs zijn aanwezigheid niet meer. Wilde hij dat ze dacht dat hij weg was om vervolgens al haar hoop neer te sabelen? Ze bleef enkele minuten zitten, maar werd toen te bang voor het onzekere. Ze stond op en strompelde naar het einde van de gang, waar ze door een gat in de zwarte muur naar buiten kon. Hij deed niets.
Ze liep langzaam terug naar het dorp, elke stap opnieuw een pijniging door de wonden die hij had achtergelaten. Steeds weer verwachtte ze dat hij haar zou aanvallen, maar steeds gebeurde er niets. Was hij dan echt weg?
Ze zag Neeltje. Neeltje knielde bij een lichaam. Het was haar man, zijn keel was opgesneden. Ze keek toe. Neeltje keek op en zag haar. Haar natte ogen keken haar recht aan.
“De geest?” vroeg ze fluisterend.
Neeltje keek haar alleen aan; ze antwoordde niet.
Ze liep verder het dorp in. Er lagen meer lichamen op straat. Vrouwen en kinderen knielden bij hun mannen en vaders. Toen ze voorbijliep keken ze naar haar. Ze dacht even dat de geest zich bedacht had, dat hij haar had laten gaan en alle schuldigen gedood had. Maar hij had niets daarvan laten blijken. Integendeel.
En ineens herinnerde ze zich wat haar vader gezegd had. Wanneer alle schuldigen dood waren, zou de geest verdwijnen. Haar vader wilde dat de geest zou verdwijnen. Dat was zijn enige hoop, nadat hij haar had uitgekozen.
“Papa…”
Ze rende naar haar huis. Zijn lichaam zag ze al van ver. Het hing aan een hoge boom. Er lag een mes onder dat hij had laten vallen. Onder het lichaam zakte ze ineen. Haar knie raakte het bebloede mes dat voorgoed een einde had gemaakt aan de wraak van de kasteelheer.

De wraak van de kasteelheer – Maartje Elshout

Homepage  Prozawedstrijd  Prozawedstrijd 2016  Maartje Elshout  Beoordeling Alicia